Rampenwedstrijd

Toen de watersnoodramp in de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 om zich heen greep, zat ik in Hamar, waar uitsluitend water in bevroren toestand voor handen was, want daar werden toen de Europese kampioenschappen hardrijden op de schaats gehouden. Kees Broekman won en de verslaggevers ijlden via hun schrijfmachines naar de telefoon om de man uit De Lier het relaas van zijn triomf mee te geven. Eerst hadden we nog niks in de gaten, al was het vreemd dat de verslaggever van het Vrije Volk de telefoniste van de Telegraaf aan de lijn kreeg, die trouwens een ietwat verwarde indruk maakte. Ze had het over "water' en een "ramp', maar vanuit Hamar werd zij aanvankelijk niet begrepen. Dat er iets ernstigs in het moederland aan de hand was, kwam pas binnen onze gezichtskring toen radio-reporter Siebe van der Zee meldde dat het niet helemaal pluis was in Zeeland en Zuid-Holland. “Vermoedelijk een paar polders ondergelopen.” Het bleek veel erger te zijn. De kranten kwamen met speciale edities en menig enthousiast schaatsverhaal verhuisde naar de prullebak of naar de achterpagina van zo'n nooduitgave. Zelden zal een Europese titel zo rigoureus aan de belangstelling van de lezers zijn onthouden of nauwelijks tot hen zijn doorgedrongen. Terecht, natuurlijk.

Die ramp kreeg op sportgebied een merkwaardig vervolg. In Zuid-Frankrijk, bij Nmes Olympique, voetbalde Theo Timmermans, een soort oer-Hagenaar, maar in 1949 prof geworden nadat hij in een interland Nederland - Frankrijk drie van de vier doelpunten had gemaakt. Hij wilde iets voor de slachtoffers van de watersnood doen, belde wat collega's, schakelde de brutale Bram Appel in (Hagenaars onder elkaar), Appel belde Lo Brunt en zie daar: op 12 maart 1953 stroomde een duizendkoppige menigte uit Nederland het oude Prinsenpark in Parijs binnen om de interland Frankrijk - Nederlandse beroepsvoetballers te zien. Gemeten naar hedendaagse toestanden zou dat niets bijzonders zijn geweest, maar toen, terwijl Nederland en de KNVB aarzelden tussen amateurisme (al of niet bevlekt) en profesionalisme, was het een sensationele ontwikkeling. Karel Lotsy en anderen, die hun tijd niet konden begrijpen, wilden met alle geweld aan het niet-betaalde-voetbal vasthouden. Spelers die naar het buitenland verkasten waren huns inziens verraders van de goede zaak, overgeleverd aan vuige geldzucht. Van hun kant wilden de profs in den vreemde graag voor het thuisfront aantonen, hoe zij betere voetballers waren geworden.

Het was een wonder dat de match tot stand kwam. Zonder Lo Brunt, die zijn medebestuurders bruskeerde en Prins Bernhard als voorzitter van het rampenfonds inschakelde, zou het niet gelukt zijn. Zonder Appel en Timmermans evenmin. Zij hadden de volgende ploeg binnen de lijnen gebracht: doel: Frans de Munck; achter: Gerrie Vreeken en Arie de Vroet; midden: Rinus Schaap, Cor van der Hart en Joop de Kubber; voor: Bram Appel, Theo Timmermans, Jan van Geen, Kees Rijvers en Bertus de Harder. In defensief opzicht was het een opstelling met een noodverband. Men kwam pure verdedigers te kort en zette de rechtsbuiten Vreeken en de middenvelder De Vroet als backs neer onder het lichtzinnige motto God zegene de greep. Jammer was de afwezigheid van Faas Wilkes, die in Italië onder contract stond bij Torino en tot zijn grote spijt geen toestemming kreeg om in Parijs te spelen. Maar dit "zooitje ongeregeld' ging er zeer geïnspireerd en extra gemotiveerd tegenaan en de Nederlandse toeschouwers stonden als één man achter hun ploeg. Zo herinnerde ik mij die partij in het oude en sindsien gesloopte Parc des Princes als een leuke, levendige wedstrijd, waarin de Fransen als ingespeelde ploeg beter waren dan de in rood-wit-blauw gehulde Nederlanders in wie het heilig vuur echter krachtig brandde. De Fransen namen door Saunier in de eerste helft de leiding. Halverwege stonden onze landgenoten nog steeds achter, maar in de twaalfde minuut na rust zette Rijvers na een flitsende dribbel scherp voor. Vervolgens liep de oudste Nederlandse speler, Bertus de Harder, de bal in Franse doel. Hij was al 33, maar voetbalde als in zijn beste jaren en werd niet voor niets ereburger van de stad Bordeaux. Tien minuten voor tijd speelde Rijvers Bram Appel vrij en de man die uit ooit een deklat op het VUC-veld aan flarden had geschoten, kogelde nu onhoudbaar in: 2-1.

Na afloop leek iedereen door een vlaag van krankzinnigheid aangetast. Spelers gingen de lucht in, journalisten lieten hun schrijfgerei in de steek en Dick Bruynensteyn, de illustrator, danste met Frans de Munck door diens doelgebied. Het was een tomeloos feest dat zich in wat geordender vorm in Den Haag en elders voortzette. Iemand had de rechten van de film van de match in handen gekregen en organiseerde via de krant theatervoorstellingen. In de pauze verscheen dan Bertus de Harder op het toneel. Steeds kreeg hij weer dezelfde krans omgehangen. De vreugde kon niet op. Het rampenfonds was er goed mee en ontving bovendien via een privé-actie van Appel in Reims 500.000 francs extra. En wat ook belangrijk was: een jaar later ging de KNVB overstag, zodat Oranje werd gevrijwaard voor een spiraal omlaag, die tot de status van Liechtenstein, Andorra of San Marino zou hebben gevoerd.