Overheid heeft werkloosheid in kunstsector op haar geweten

Niet bekend

Het ligt voor de hand om te stellen dat er te veel kunstenaars zijn. Er zijn ook te veel wielerprofs. Even gemakkelijk is de bewering dat kunstenaars net zo behandeld moeten worden als andere beroepsbeoefenaars en dat zij als bijstandsgerechtigden evengoed een sollicitatieplicht hebben. Zodanige standpunten gaan voorbij aan de verschillen in publieke verantwoordelijkheid. Aan de overheid valt niet te verwijten dat er te veel wielerprofs - in totaal niet meer dan 100 - zijn. De overheid heeft wel een beslissende invloed uitgeoefend op het aantal kunstenaars, hun sociale tragiek en de aard van hun werk.

Er is veel gedaan om de romantieke aantrekkelijkheid van het kunstenaarschap te verhevigen. De staat bekostigt overal in het land beroepsopleidingen en verplicht die om alsmaar meer leerlingen te trekken. Drie postdoctorale "werkplaatsen' moeten een pretentieuze instroom in de beroepsgroep verzekeren. Door propaganda, want dat is het, door onmatig veel opleidingsinstituten en door studiefinanciering forceert de overheid de groei van de beroepsgroep. Zij loodst jonge mensen schouderkloppend en geldverstrekkend de opleidingen binnen om ze na afloop over te dragen aan de gemeentelijke sociale diensten. Dat het ieders eigen verantwoordelijkheid is welke opleiding men kiest, staat buiten twijfel, maar het is moeilijk weerstand bieden aan publieke verleidingskunsten. Verleiding is geen schuldeloze activiteit. De overheid draagt daarom een aanzienlijke verantwoordelijkheid voor de aantallen. En tegelijk voor de sociale tragiek van kunstenaars die met duizenden aan de zelfkant zitten. Een fatsoenlijker beleid zou kleinere aantallen en minder tragiek hebben opgeleverd.

De kunst is in ons land allang staatskunst geworden. De uitgaven van particulieren en bedrijfsleven zinken in het niet vergeleken met de publieke kunstbestedingen. De autonomie van de kunstenaar is daarbij niet ongemoeid gebleven. Nadruk is komen te liggen op administratieve competentie, netwerkvaardigheid en musealiteit van het werk. Men behoeft speciale bekwaamheden om subsidies, opdrachten en voorzieningen te verwerven. En als de produktie niet een bepaalde museale uitstraling heeft maakt men weinig kans: kunst in de wooncultuur is geen primaire beleidsdoelstelling. Men heeft niet veel willen doen aan marktverruiming. Er bestaan geen fiscale faciliteiten, sponsoring wordt belast met BTW of schenkingsrecht, aankoop- en rentesubsidieregelingen worden wisselvallig ingevoerd, beperkt of weer afgeschaft. Vraag- en aanbodzijde aan de markt zijn grotendeels in de ban van de overheid.

Het verwijt dat men politici en ambtenaren dient te maken is het gebrek aan sociaalethische bezinning: wat richt men in de samenleving aan? Van de opvatting dat beleid niet alleen in het opzicht van doel en middelen, maar ook wat de effecten betreft behoorlijk dient te zijn en dat men daarvoor verantwoordelijkheid draagt, is in het kunstbeleid van de centrale instanties weinig merkbaar. Dat men duizenden jonge mensen misleidde en tot een tragisch leven heeft gebracht, maakt kennelijk niets uit. Het zijn provincie en gemeente die proberen met banenpool, subsidie en soepele toepassing van de bijstandswet enig soulaas te verschaffen maar daar dringt zich de wrede waarheid op dat het uitzichtloze maatregelen zijn die niet zijn opgewassen tegen de instroom die de centrale overheid genereert.

De jongste verleidingskunst van de overheid is het plan om 1200 tot 1500 kunstenaars gedurende vijf jaar een jaarbedrag van enkele tienduizenden guldens te verstrekken onafhankelijk van eigen vermogen en inkomsten. Al wordt de selectieprocedure heus wel zorgvuldig, het zal een staatsloterij blijken waar administratieve competentie, netwerkvaardigheid en musealiteit wederom zullen bepalen wie er mogen meedingen. Opnieuw worden mensen het kunstenaarsberoep ingelokt of in het beroep vastgehouden. Daarnaast wordt een erkenningsregeling voor beroepskunstenaars voorbereid. Geselecteerden worden opgenomen in een publiek register dat voorlopig nog documentatiesysteem heet. Kunstenaars zullen zich aan een verambtelijkingsproces moeten onderwerpen om misschien ooit een subsidie of een opdracht te kunnen krijgen. Zij worden opnieuw met voorspiegelingen de overheidssfeer ingepraat. Wie geen inschrijving verlangen of die niet weten te verwerven, zullen van de markt en de overheidskassen worden geweerd. Wat hiervan de resultaten zullen zijn, wordt in het midden gelaten.

De overheid moet ook op de onbedoelde effecten van haar plannen worden aangesproken. Er bestaat behoefte aan een sociaal-ethisch reveil in het kunstbeleid.