Klaagzang en mystiek op de keiige velden van Armenië

ROTTERDAM, 2 FEBR. Wie van plan is om vanavond naar het 22ste Film Festival Rotterdam te gaan om The Story of Qiu Ju, de nieuwe film van Zhang Yimou te bekijken, kan zich die moeite besparen: de voorstelling was gisteren al uitverkocht. Hoe prachtig die film ook is, voor de festivalbezoeker is zo'n volle zaal geen ramp. Qiu Ju zal het komende seizoen te zien zijn in de Nederlandse filmhuizen, dus dan is er volop gelegenheid hem te gaan zien. En een filmfestival biedt nu juist gelegenheid kennis te nemen van films die hierna voor altijd uit Nederland zullen verdwijnen.

Filmdistributeurs, ook zij die zich specialiseren op de artistieke, niet commerciële film, moeten zich beperken. Zij kopen aan naarmate ze, op basis van hun ervaring en instinct, mogelijkheden zien om een iets breder publiek te interesseren voor een film. Vaak is zo'n koop al gesloten eer een film op het Rotterdamse festival wordt gepresenteerd, maar een enkele keer corrigeert het festivalpubliek de distributeur. Voor Neil Jordans The Crying Game had, ondanks het enthousiasme op het Filmfestival van Venetië, niet één Nederlandse distributeur belangstelling voor die film. Dankzij het succes in Rotterdam zijn de rechten ervan inmiddels toch gekocht voor de Nederlandse bioscoop.

Filmfestivals zijn er om je te laten verrassen, om een zaal binnen te lopen voor een film die je anders links had laten liggen. Voor de experimentele, aan de minimal danskunst herinnerende beeldcomposities van de jonge Japanse cineast Kurosawa Jun, bijvoorbeeld. Neko-mimi heet de film en hij duurt veel te lang voor de toeren die Kurosawa Jun uithaalt. Herhaling volgt op herhaling in het gelig en groenig licht dat je wel ziet in modieuze snackbars en hij wordt moeizaam gedragen door een acteur en een actrice die vooral egocentrisch moeten kijken en bewegen. Maar zeker het eerste half uur is de film spannend en zijn vooral de camerahoeken, het lucht en de decors raar genoeg om te boeien.

Een andere film die de Nederlandse bioscoop vermoedelijk niet zal bereiken is de curieuze semi-documentaire Rock Hudson's Home Movies van de Amerikaan Mark Rappaport. De film is een jolig onderzoek naar de dubbelrol die de niet lang geleden aan de gevolgen van AIDS overleden acteur Rock Hudson heeft gespeeld. Hudson was homoseksueel en poseerde vanaf het begin van zijn carrière als mannelijk ideaal voor Amerika in de jaren vijftig. Door scènes uit Hudsons films, vaak intens tuttige, romantische komedies, nader te belichten, door dialogen, gebaren en blikken van Hudson zelf en zijn tegenspelers (met name Tony Randall, maar ook Kirk Douglas) en -speelsters (vooral Doris Day) stil te zetten en te interpreteren, probeert Rappaport waar te maken dat onder Hudsons imago overduidelijk een homoseksuele geaardheid te zien is geweest voor een miljoenenpubliek.

Vaak gaan Rappaports interpretaties de kant op van uit hun verband gerukte gelegenheidsbewijzen. Die zijn reuze amusant maar niet overtuigend, vooral waar ze ondersteund worden door uitspraken die Rappaport schreef alsof ze door Hudson werden gezegd. Sterk is echter het "hoofdstukje' waarin de film bekijkt in hoeverre de scenarioschrijvers, die net als de rest van de Hollywood-incrowd op de hoogte waren van Hudsons geheim, inspeelden op Hudsons ware identiteit. Geen acteur die zo vaak als Hudson werd getoond in een afhankelijke, bemoederde, naar hun maatstaven onmannelijke, positie. Geen collega die zo vaak een komieke quasi-homo-rol te vervullen kreeg als Hudson: “Je mag een homo zijn zo lang je een hetero bent die net doet of hij homo is,” laat Rappaport "zijn' Rock Hudson zeggen. “Maar wat als je een homoseksuele acteur bent die doorgaat voor een hetero, die de rol speelt van een hetero die net doet of hij een homo is?”

Het Film Festival Rotterdam is ook bij uitstek de plaats om films op elkaar te betrekken. Zo zijn er drie films van regisseurs uit Armenië die hun achtergrond nadrukkelijk als filmmateriaal hanteren. De drie films zijn volslagen verschillend, maar hebben zich onmiskenbaar gelaafd aan dezelfde bron. Avetik van Don Askarian vond ik de mooiste: de elegie van een geëmigreerde Armeniër die de geschiedenis, de cultuur, de verhalen, gebruiken en het volk oproept dat hij nooit meer terug zal vinden, ook al keert hij morgen terug naar zijn land.

Veel minder mystiek, en net zo puur filmisch verbonden met het landschap en de bevolking, is The Lost Paradise van David Safarian. Deze film vertelt over een boerengemeenschap die geen genoegen neemt met het optreden van een stel stadse projectontwikkelaars en hun plannen vooor een stuwmeer op de plaats van het dorp waar ze wonen en de keiïge velden waar ze hun kuddes weiden. Het is ook een klaagzang, maar concreter. Typerend is een verhaal als dat van een grootvader die zijn kleinzoon vraagt of hij tegelijk met de druiven het zonlicht dat erop scheen opat.

Ook het veel minder zorgvuldig gemaakte Radio Yerevan (regie: Nariné Mkrtchian en Arsen Azatian), een melancholieke klucht over een Franse vrachtwagen die geen weg weet met de hulpgoederen die moeten worden afgeleverd, verklaart zich van begin tot eind schatplichtig aan het Armeens land en zijn bewoners. Don Askarian woont, in tegenstelling tot zijn collega's van de andere twee films, buiten Armenië, in Berlijn, en hij maakte de meest met zijn wortels en land verbonden film van de drie. Jammer dat de in Canada wonende Armeniër Atom Egoyan zijn nieuwe film niet op tijd klaar had voor dit festival.