Invoering HDTV stuit op organisatorische problemen

De nu in gebruik zijnde t, die voor wat betreft West-Europa (zonder Frankrijk) worden aangeduid met PAL werden veertig jaar geleden ontwikkeld en zijn inmiddels door techniek en menselijk gedrag achterhaald. De tv-schermen zijn steeds groter geworden en ook de zogeheten schermluminantie nam toe. Daar komt bij dat de kijkafstand kleiner werd dan hij aanvankelijk werd geraamd: hij is in de loop van de jaren ruwweg gehalveerd. Omdat ook kwaliteit en afmetingen van de bioscoopfilm inmiddels zijn verbeterd ontstond behoefte de beeldweergave van de televisie eveneens op te voeren.

Is in de nu nog gangbare tv-systemen de verhouding van breedte tot hoogte (de "aspectverhouding') van het beeldscherm ongeveer 4 : 3 (overeenkomstig de destijds gangbare 35 mm-film), voor HDTV is een aspectverhouding van 16 : 9 gekozen (zoals in de moderne bioscoopfilm).

Daarbij is voor het Europese HDTV-systeem het aantal beeldlijnen per scherm opgevoerd van 625 tot 1250 en is ook het aantal beeldpunten op die lijnen verdubbeld. De zogeheten rasterfrequentie (de snelheid waarmee het tv-beeldsteeds opnieuw wordt opgebouwd) is op 50 hertz gehouden (overeenkomstig de frequentie van het elektriciteitsnet). Omdat voor HDTV per tijdseenheid minsten vier keer zoveel informatie moet worden overgedragen dan vroeger is voor het noodzakelijke transmissie-systeem (HD-MAC) een elektronische "truc' toegepast om alleen strict noodzakelijke (niet-redundante, niet-overtollige informate) te verzenden.

Invoering van HDTV-systemen stuit op drie technische en organsiatorische systemen: de nieuwe tv-uitzendingen moeten op bestaande tv-toestellen te ontvangen zijn, er is de internationale normstelling en de vicieuze cirkel dat pas hdtv-uitzendingen aantrekkelkijk zijn als er voldoende hdtv-toestellen zijn en omgekeerd. Vooruitlopend op definitieve beslissingen komen tv-toestellen op de markt die wel al de nieuwe aspectverhouding bezitten maar het oude aantal beeldlijnen: EDTV.