Een gekkin in Zagreb

Met de twee tanden die haar nog resten eet ze smakkend de hamburger die ik voor haar heb gekocht. Soms raakt haar onderlip bij het kauwen haar neus. Ze geniet van het broodje. Ze laat zich dit moment van geluk, dat haar op onverklaarbare wijze ten deel is gevallen, goed smaken. Af en toe neemt ze een slok uit de pul met bier die naast haar staat. Ook die heeft ze van mij gekregen. Over een uur vertrek ik weer naar Nederland en wat moet ik anders doen met dat waardeloze Monopoly-geld. Achter haar rug gebaart een man naar mij dat ik haar niets moet geven. Met een door de nicotine gebruinde wijsvinger tikt hij op zijn voorhoofd. Ze is gek.

Dat heb ik al lang gezien, verklikker! Ze heeft het me zelf al proberen uit te leggen. “Krank, ich Krank in Kopf.” Maar ik kom net uit Bosnië, waar kinderen met één been noodgedwongen door hun miserabele leven heen hinkelen, en dan vind je het vreemd dat er zo'n 60 kilometer verderop nog mensen rondlopen wier gezichten niet worden verwrongen door een tic. Nogmaals geef ik mijn gekkin een stapeltje dinars. Met een tevreden lach op haar gezicht strijkt ze ze op. Ze tuit haar onaantrekkelijke mond en drukt een vederlicht kusje op mijn wang. Met haar hand aait ze even mijn nek. Zo liefkozen apen andere apen.

Natuurlijk denkt de man achter haar, die vreselijke man die een pantomime van afkeurende bewegingen staat te maken, dat ik iets van haar wil. Dat ik een vent ben met vreemde neigingen. Een pervert. Nee, mijnheer, ik heb geld teveel. In uw droevige land heb ik voor het eerst geld teveel. Thuis moet ik de eindjes aan elkaar knopen maar hier kan ik de bankbiljetten laten dwarrelen als herfstbladeren. Ik wil dat die arme gekkin een fijne avond heeft. Een avond waaraan ze in het gesticht, dat kaalgeschopte gesticht waarin ze haar met een dwangbuis tot zelfomhelzing dwingen, nog eens met plezier zal terugdenken. Omdat er zo weinig plezier in haar leven langs komt.

De stationsrestauratie van Zagreb is verdeeld in een restaurant- en een snackgedeelte. In het restaurant loopt een wat nichterige kelner met een serveerwagen te bedienen. Een grote serveerwagen is het, met soms maar een heel klein kopje koffie erop. Eerst heb ik ook in zijn wijk gezeten, maar telkens weer werd mijn aandacht getrokken door wat zich afspeelde in de snackbar, die door een foeilelijk smeedijzeren hek van het restaurant wordt afgescheiden. Door het hek zag ik dat militairen in camouflagepakken er tegen heug en meug stonden te drinken. Sommigen hadden niet eens de kracht meer om het glas naar hun lippen te brengen. “Waar komen ze vandaan, waar moeten ze naar toe?” vroeg ik me af. Terwijl ik de snackbar betrad, zag ik dat er enkelen op de vloer lagen te slapen. De vrouw die de ruimte aan het schoonmaken was, dweilde om ze heen, maar soms raakte ze met die dweil een van de jonge gezichten.

En toen kwam ze binnenhompelen, mijn gekkin. Een vrouw van een jaar of vijftig. Een dikke, bleke, onaantrekkelijke vrouw. Met van die korte, vlak boven de nek afgehakte, haren. Ze kwam aan mijn tafeltje staan en knipperde een paar keer vriendelijk met haar ogen, zoals een kat tegen het zonlicht knippert. Voor de afwisseling wilde ik dat zonlicht wel eens zijn.

Maar nu moet ik naar de bagagekluis om mijn koffer op te halen. Met de rug van haar hand veegt de gekkin haar mond af. Ze is niet van plan haar goudmijn te verlaten en loopt met me mee. Ik geef het bonnetje af bij een man in een grijze stofjas en neem mijn koffer in ontvangst. Mijn gekkin aait de koffer en dan, opeens, grijpt ze me vast. Ik geneer me dood. Ze zullen toch niet denken dat dit mijn moeder is, mijn moeder van wie ik afscheid moet nemen voor lange tijd. De trein naar Neurenberg staat al klaar. Ik moet opschieten en ruk me van haar los. Terwijl ik mijn koffer in het bagagerek leg, zie ik haar buiten staan. Pruilend, naar beneden kijkend, kijkend naar het schitterende perron. Anna Karenina, maar dan in een klucht van Piet Bambergen. Zoiets.

Twintig uur later stap ik uit in Keulen. Vier uur moet ik wachten op een aansluiting naar Amsterdam. Dan maar even een kop koffie in de stationstraverse. In een barretje dat, vrij vertaald, "De Zuiphaan' heet. Alle pooiers en hoeren van Keulen houden hier kwartier. Geen gezicht is zonder litteken. Naast me staat een studente die ik in de trein heb leren kennen. Net als ik moet zij wachten op aansluiting en we hebben besloten dat samen te doen. Naast ons staat een man in een nappajasje. Hij is dronken. Al zijn tanden zijn zwart. Terwijl hij naar de schoenen van de studente kijkt, zegt hij: “Super, deine Schuhe. Die möchte ich kaufen.” De studente reageert niet, kijkt met onverholen minachting naar de man. Hij draait zich met zijn gezicht naar mij toe en zegt agressief: “Ik heb twee mensen gedood. En daar heb ik maar zes weken voor gezeten. Noodweer. Makkelijk zat. De een heb ik in de hals gestoken, de ander in zijn ballen.” Bij het woord "ballen' maakt hij een opwaartse beweging met zijn hand. “Ik heb altijd een wapen bij me”, zegt hij. En dan tast hij langzaam in zijn binnenzak. Mijn hart slaat een paar slagen over als hij daaruit een groene stiletto tevoorschijn haalt en die laat openklappen.

Tanks heb ik gezien, tientallen tanks met onheilspellend langzaam draaiende lopen, radeloze vluchtelingen op zoek naar hun kinderen, vluchtelingen die met hun ogen bedelden omdat hun handen daar te trots voor waren, en hier, in een land in vredestijd, staat zo'n volgevreten en volgezopen patser die in het ziekelijke neonlicht van een bar een stiletto onder mijn neus houdt. Geef maar aan die scalpel, dan zal ik je opereren, rotzak, denk ik. Rotmof! Veranderen jullie dan nooit? Maar het blijft bij denken.

Ik graai in het borstzakje van mijn overhemd, haal er een biljet van tien Mark uit om af te rekenen. Terwijl ik dat doe, komt er een klein pasfotootje mee. Verbaasd kijk ik er naar. De gekkin. Ze is gefotografeerd zoals men mensen fotografeert die ergens tegen hun wil in lang moeten blijven. De man met de stiletto begint te schateren. Ik voel zijn speeksel op mijn hand terechtkomen. “Is dat je meisje?” bralt hij. “Kijk eens jongens, dat is zijn meisje!” roept hij tegen de andere klanten in "De Zuiphaan', en hij grist het pasfotootje uit mijn hand en gooit het achter de bar. Terwijl hij dat doet, loop ik weg, samen met de studente. We moeten nog een half uur wachten op de trein naar Amsterdam. Als we ons eenmaal hebben geïnstalleerd in de coupé, net voor ik indommel, bevangt mij het onbehaaglijke gevoel dat ik iemand zomaar in een levensgevaarlijke situatie heb achtergelaten. Dat ik geen poot heb uitgestoken. Dat ik niks heb gedaan.