Creatieve geesten zijn terug in defensiepolitiek VS

Mag de nieuwe Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, Warren Christopher, worden gezien als het toonbeeld van voorzichtigheid en pragmatisme (met een bijna natuurlijke afkeer van grootse visies), hetzelfde kan niet worden gezegd van zijn ambtgenoot van defensie, Les Aspin. In de jaren zestig behoorde hij tot de zogenoemde whizz kids van Robert McNamara, de groep briljante, jonge academici die de toenmalige Amerikaanse minister van defensie terzijde hebben gestaan bij de voorbereiding van een nieuwe militaire politiek. In de afgelopen jaren viel hij als invloedrijk lid van het Huis van Afgevaardigden menig keer op door onconventionele ideeën over de richting van het Amerikaanse veiligheidsbeleid en de opbouw van de Amerikaanse krijgsmacht. Op dit moment trekken Aspins plannen voor een nieuwe topstructuur van het Pentagon, het Amerikaanse ministerie van defensie, in tweeërlei opzicht de aandacht.

In de eerste plaats zullen vlak onder het hoogste politieke niveau functies worden geschapen met verantwoordelijkheden voor vraagstukken die tot dusverre niet tot het jachtgebied van het ministerie van defensie werden gerekend. Dit geldt wel heel bijzonder voor een nieuwe post voor democratie en mensenrechten, in iets mindere mate voor non-proliferatie van massavernietigingswapens. De plannen lijken te wijzen op een doelbewuste poging van Aspin om de rol van het ministerie van defensie in het Amerikaanse buitenlands beleid te versterken. Er zijn al stemmen opgegaan die vrezen voor een nieuwe machtsstrijd tussen het Pentagon en het ministerie van buitenlandse zaken. Ook is gewezen op de merkwaardige discrepantie tussen de noodzakelijke inkrimping van het Amerikaanse leger en de uitbreiding van het aantal departementale topfuncties.

Ten tweede trekken Aspins plannen de aandacht door de keuze van zijn naaste medewerkers, tot voor kort nog vooral werkzaam als specialist aan de Universiteit van Harvard en bij de prominente denktanks, zoals de Rand Corporation. De vergelijking dringt zich op met de recrutering van regeringsfunctionarissen onder president Kennedy, toen immers ruim baan werd gegeven aan de “best and the brightest”. Twee voorgenomen benoemingen springen in het oog, die van Morton Halperin en van Graham Allison, beiden in de rang van “assistant defense secretary” (de gebruikelijke Nederlandse vertaling “onderminister van defensie” is geflatteerd). Halperin heeft bij het grote publiek vooral bekendheid gekregen door zijn aanvaringen met Henry Kissinger over afluisterpraktijken waarvan hij slachtoffer was, terwijl Allison vooral in het nieuws kwam als pleitbezorger voor grootschalige hulp aan de vroegere Sovjet-Unie (het zogeheten grand bargain-plan).

Beide politicologen vestigden echter hun academische reputatie met baanbrekende analyses van de wijze waarop in de Verenigde Staten belangrijke besluiten over veiligheidspolitieke zaken worden genomen.

Het zogenoemde bureaupolitieke model, dat politieke beslissingen uitlegt niet als rationele keuzes maar als uitkomsten van vaak taaie en harde onderhandelingen binnen het overheidsapparaat tussen elkaar beconcurrerende afdelingen, heeft vooral door hun werk een grote opgang gemaakt. Het is ironisch om nu te constateren dat beiden de kans lopen zelf in een bureaucratisch gevecht met het State Department te worden verwikkeld. Dit mag eventueel schadelijk zijn voor de samenhang van het Amerikaanse beleid, de wetenschappelijke literatuur kan er in de toekomst verder door worden verrijkt.

Een toonaangevende rol van bevlogen intellectuelen in de beleidsvorming biedt geen waarborg voor een verstandig en verantwoord beleid. De bittere ervaringen met het Amerikaanse beleid voor Vietnam stemmen wat dit betreft tot nadenken. Toch is het hoopgevend dat in een tijd waarin nieuwe formules voor internationale stabiliteit moeten worden bedacht en waarin met name de verhouding tussen West-Europa en Amerika aan een grondige herijking toe is (alsmede nieuwe taken voor de NAVO worden gedefinieerd), creatieve geesten hun bijdrage gaan leveren aan het nieuwe Amerikaanse defensiebeleid.

De verwachting lijkt gewettigd dat wij op veiligheidspolitiek terrein eerder nieuwe denkbeelden tegemoet kunnen zien van het Amerikaanse ministerie van defensie dan van dat van buitenlandse zaken. Dit laat overigens onverlet dat in de gedachtenvorming in Washington de staf van president Clinton in het Witte Huis, in het bijzonder diens adviseur voor nationale veiligheid, Anthony Lake (die een hoge dunk over zijn eigen denkkracht heeft), zonder twijfel zijn partij zal meeblazen.