Ware liefde (2)

Lieneke was acht jaar, net zo oud als ik. Ze had een eeuwige snotneus, ze rook naar pies en liep soms op een rare manier naar huis, omdat ze het weer eens in haar broek had gedaan. Niet dat ze niet zindelijk was, maar we waren verliefd op elkaar, wilden altijd bij elkaar zijn en daarom gunden we ons amper tijd naar huis te gaan, de trap op naar de wc. Ik deed het gewoon achter een boom, maar dat kon Lieneke natuurlijk niet. Dus, steeds maar uitstellen, want als je naar huis ging liep je de kans dat er gegeten werd, of dat het bedtijd was.

Als Lieneke moest, stond ze op één been te wiebelen, een vuist in haar schoot geduwd. Ze had mollige handjes met in elk vier kuiltjes en ook twee kuiltjes in haar wangen, waar altijd een vuurrood blosje op lag. Ze zei nooit iets. Lachte alleen maar. Haar hoofd een beetje scheef. Grote, onwaarschijnlijk blauwe ogen. Die ben ik in mijn leven nooit meer tegengekomen. Zo groot en intens blauw.

Ze maakte met haar tong haar lippen nat, waarna ze er even op beet en als ze merkte dat ik het zag, sloeg ze haar lange wimpers neer en gooide met een achteloos gebaar haar melkboerenhondeharen vlechten over haar schouders. Die vlechten waren veel te dun, te dun en te vlassig om er indruk mee te maken, maar zij was er trots op en ik vond ze mooi. Ze veegde haar neus aan de mouw van haar trui af, zodat daarop, net als bij mij trouwens, een korstje snot zat. Ja, zo was dat vroeger nu eenmaal.

Ik droomde een keer dat ze weer zo nodig moest en dat ik dat plasje moest tegenhouden. Dat lukte niet. Ze plaste mijn hele hand en arm onder, waarop ik vervolgens wakker werd, omdat ik in mijn bed pieste. Mooie boel evengoed. Ik durfde er natuurlijk niets van te zeggen en om de schande te ontlopen, bleef ik net zo lang op het flanellen laken liggen, tot dit eindelijk was opgedroogd. Niet bepaald fris. En er werd al niet zo grondig gewassen, zo kort na de oorlog.

Ze droeg een zilveren ringetje met een vergeet-mij-nietje, waarin een lichtblauw stukje glitterglas zat, dat bijna net zo blauw was als haar ogen. Ze was erg trots op haar ringetje. Ze keek er met innig welbehagen naar. Zo op een afstand. Een beetje grotemensenachtig. En maar niks zeggen. Ze zei echt geen woord. Ook als ik mijn ogen niet dichtdoe zie ik haar voor me. (O, gouden kindertijd, nooit kom je terug, ik kan er wel om janken soms, maar ja, wat geeft het, op is op. En wie weet trouwens waar Lieneke nu zit en met wie? Misschien is ze net zo oud, grijs en uitgezakt als ik en vol verdriet en zorgen soms. Misschien is ze wel een kreng van een wijf geworden, voor wie ik zo bang ben. Maar ik denk van niet.)

Goed. Zij begon er mee. In een jampot verzamelden we stukjes glas. We zaten op het muurtje bij ons voor de deur bij de kerk, het grote grasveld, de warme esdoorns en de statige bomen langs de vier kerkpaden. Groene, bruine stukjes glas. Spierwit melkglas. Als we een groot stuk hadden gevonden, sloeg Lieneke het met een steen klein en gooide de stukjes in de jampot, die dan zorgvuldig werd geschud. Donkerblauw, lichtblauw als je geluk had. Soms vonden we een stukje oranje, of een halve, lichtgroene bierkogel, die alleen van binnen glansde. Rood vond je niet. Rood glas was zeldzaam. Op een gegeven ogenblik hadden we zowat alle kleuren van de regenboog bij elkaar, zelfs paars en pikzwart, maar geen rood.

In de kerk woonde in het kostershuis de strenge koster. Hij had een dienstfiets met een héél groot, rood achterlicht. De zomeravondzon glinsterde door de dikke esdoornbladeren en strooide handenvol lichtvlekken op het kerkpad en op het glas van het rode achterlicht van de koster.

Lieneke wees er vol begeerte naar. Ze spitste haar tongetje en beet er op. Ik begreep haar maar al te goed. Ik wilde doorlopen, want ik zag de koster in de keuken staan. Lieneke bleef waar ze was. Haar hoofd wat scheef, de blosjes op haar wangen werden bijna nog roder dan het achterlicht van de koster. Ze begon op één been te wiebelen. Ze duwde een vuist in haar kruis en wees pertinent, ja gebiedend op het lampje. O, wat moest dat kind nodig. Ze stopte de steen in mijn hand en terwijl ik met een ferme, uiterst dappere klap, het glaasje lossloeg, deed Lieneke het vreselijk, ja echt vréselijk in haar broek.