Van huis

Een hoekig huis in Normandië. Het staat alleen op een plateau niet ver van zee, zout in de wind.

Een huis met twee verdiepingen en een zolder. Muren van natuursteen uit de streek. Luiken voor de ramen. De voordeur in het midden. Die deur, die wil niet erg. Aan die deur bezeer je keer op keer je schouder.

In het huis raak je gewend aan hoge plafonds met lijsten, aan avonden met verhalen, wijn en kaas, laaiend hout in de haard, aan het zacht, inwendig kreunen van de trap, het loeien van de storm in je slaap.

Maar toch vooral het huis van buiten. Zoals het daar staat in een kring van bomen. Zoals het op je afkomt na een lange wandeling. De lege akkers glimmen van het regenwater. Er staan plassen op het weggetje. Een dode vos ligt aan de kant. Er jagen wolken langs de hemel.

Het is geen makkelijk huis, geen allemansvriend, misschien een beetje moe van mensen, geboorte en dood, komen en gaan, zomer en winter. Maar een huis vol plichtsbesef. Het staat daar als een klein kasteel, alsof het iets bewaart.

Je vraagt je af wat dat iets kan zijn en als je naar binnengaat, ben je het zelf.