Schuimkoppen razen tegen de kademuur

Duizenden mensen werden op 1 februari 1953 verrast door het water, na de doorbraak van Zeeuwse en Zuidhollandse dijken. De hulpverlening kwam langzaam op gang. Maar terwijl de rest van het land nog geen groot alarm sloeg, zochten de mosselvissers in hun kleine boten al naar overlevenden.

“We wisten dat het fout zou gaan. Zulk hoog water hadden we nog nooit gezien.” Zaterdagavond 31 januari 1953. Mosselvissers uit Yerseke komen naar de haven om hun schepen, zoals bij elke storm, extra te verankeren. En daar zien ze wat ze nog nooit hebben gezien: terwijl het laag water zou moeten zijn, razen schuimkoppen tegen de kademuur. Visser Jan Louwerse, dan 23 jaar, weet genoeg. Snel gaat hij naar zijn huis in de polder en stuurt zijn moeder en zusjes naar het dorp, dat hoger ligt. Met vrienden brengt hij het huisraad naar boven. De vissers zijn opgevoed met het water en kennen als geen ander de kracht.

Terwijl duizenden inwoners van zuidwest Nederland het licht uitdraaien en gaan slapen, zijn er volop mensen op de dijk bij Yerseke. Dakpannen vliegen in het rond. De vissers overleggen welke maatregelen ze moeten nemen. De kademuur staat op barsten en wordt gestut, vloedplanken worden ingezet en in alle haast worden zwakke stukken dijk met zandzakken en zeil verstevigd.

Rond drie uur in de nacht, herinnert zich Kees van Damme, een andere inwoner van Yerseke, zakt het water plotseling enkele meters. “En dat terwijl het nog lang geen vloed was. Het kon maar één ding betekenen: dat op andere plaatsen dijken waren doorgebroken en het water de polders instroomde.” Van Damme had het juist gezien. Die nacht overstromen grote delen van zuidwest Nederland. Duizenden mensen worden verrast door het water. Soms komt het in een metershoge vloedgolf, soms stroomt het via sloten binnen.

Uiteindelijk verliezen 1835 mensen het leven. Ruim zevenenveertigduizend huizen en gebouwen worden vernield en tienduizenden dieren verdrinken. Vandaag, veertig jaar later, wordt de ramp in Nieuwerkerk op Schouwen-Duiveland herdacht.

Nederland is begin jaren vijftig volstrekt niet voorbereid op de enorme dijkdoorbraak. Rijkswaterstaat weet dat veel dijken in slechte staat verkeren, maar heeft andere prioriteiten. In zijn onlangs verschenen boek De Ramp, Een Reconstructie beschrijft journalist Kees Slager hoe officiële instanties en bestuurders het die avond en nacht veelal volledig laten afweten. Het is immers weekeind, dus vrijwel niemand is bereikbaar. Daarbij hebben de meesten te weinig verstand van zaken om het gevaar te kunnen onderkennen. Zo kan het gebeuren dat een KNMI-beambte, verontrust door de orkaankracht die hij meet, zaterdagavond via de radio probeert alarm te slaan. Maar zijn pogingen stranden omdat de nationale radiozenders Hilversum 1 en 2 om twaalf uur 's nachts uit de lucht gaan. ANP-medewerkers die op de vroege zondagmorgen in de gaten hebben dat er iets mis is, slagen er evenmin in de radiozenders open te breken. Pas om acht uur 's morgens, als de reguliere uitzendingen beginnen, brengen zij het eerste nieuwsbericht. En dan blijkt dat ook het ANP nog niet doorheeft hoe ernstig de situatie is. De nieuwslezer maakt melding van een "noodtoestand', waarbij op een negental plaatsen dijken zijn doorgebroken. Over slachtoffers rept hij niet.

Terwijl de rest van Nederland nog steeds geen groot alarm slaat, zijn de vissers van Yerseke al lang bezig met de hulpverlening. En niet alleen zij, ook collega's uit bijvoorbeeld Zierikzee en Tholen. De mosselvissers uit Yerseke horen rond half zes die morgen het gerucht dat de polders bij het nabijgelegen Kruiningen zijn overstroomd. De storm raast nog steeds door, de golven en stroomsnelheden zijn enorm. Met kleine boten zwoegen de mannen door de golven, op zoek naar overlevenden.

“Denk niet”, vertelt Jan Louwerse, “dat er sprake was van enige organisatie. Je deed maar wat. We wisten niet eens dat andere dorpen in de buurt als Waarde en Oostdijk ook onder water stonden.” 's Avonds beseffen de vissers dat de ramp nog veel groter is. Bij het wachtlopen aan de dijk zien ze enorme hoeveelheden wrakhout van over de Oosterschelde aanspoelen. Bovendien vinden ze een dak met daarop een totaal verkleumde vader en zijn twee zoons. Een daarvan is al bezweken. “Toen wisten we dat het op Schouwen-Duiveland verschrikkelijk moest zijn.”

De burgemeester van Yerseke neemt, samen met de voorzitter van de visserijvereniging, de volgende morgen de coördinatie ter hand. De vissers steken met hun schepen de Oosterschelde over en zien de ravage op Schouwen-Duiveland. Het eiland staat al ruim een etmaal onder water. Meer dan vijfhonderd mensen zijn verdronken, maar van buitenaf is nog geen hulp geboden.

Schipper Hubrecht Koster doet dan wat niemand voor hem heeft gedurfd: hij stuurt zijn schip dwars door het gat in de dijk bij Ouwerkerk, valt enkele meters naar beneden en redt tientallen mensen van de dood. Andere schepen volgen hem of komen het eiland via andere routes binnen.

Die maandag wordt in de rest van het land eindelijk groot alarm geslagen. De volgende dag stroomt de hulpverlening massaal toe. Er is nog steeds onduidelijkheid over het totaal aantal doden dat de ramp heeft geëist. Verslaggever Bert de Jong, correspondent van de Volkskrant, schat op basis van getuigenverklaringen het aantal doden de eerste dagen na de ramp al gauw op zeshonderd. “Maar ja”, zegt hij veertig jaar later, “dat was zo'n enorm aantal. Ik durfde het niet in de krant te zetten. Dus maakte ik er maar driehonderd van.” De dagen na publikatie van zijn schatting regende het opzeggingen van boze abonnees. “Ze vonden dat we het dodental hadden overtrokken, en onnodig sensatie hadden gezocht.”