Opgelegde regelingen maken op de Balkan weinig kans van slagen

Niet afgeschrikt door het "nee' van zowel de Bosnische Serviërs als de moslims proberen Cyrus Vance en Lord Owen hun vredesplan voor Bosnië-Herzegovina alsnog te redden: als de partijen niet instemmen met het plan voor de opdeling van de republiek in tien autonome provincies, moet de Veiligheidsraad het hun maar dwingend opleggen, zo is hun redenering.

Het is een bij voorbaat futiele poging, die eerder ten doel heeft de internationale gemeenschap te voorzien van een alibi en aldus haar gezicht te redden. Twee van de drie partijen in het conflict zijn tegen het vredesplan, de Serviërs omdat het hun een kostbare corridor en teveel veroverd gebied kost, de moslims omdat het de Serviërs juist niet genoeg gebied kost en de "etnische zuivering' niet ongedaan maakt. En de derde partij, die van de Kroaten, heeft weliswaar ingestemd met het plan, maar heeft het evengoed helpen torpederen. De Kroaten hebben het alleen wat minder openlijk gedaan dan de andere twee. Er is immers een duidelijk verband tussen het Kroatische offensief in Krajina en het Bosnische vredesplan: in Krajina tekenen de Kroaten protest aan tegen internationaal (door het oude plan-Vance) gesanctioneerde veroveringen; in Bosnië dreigen zulke veroveringen (door het plan Vance-Owen) opnieuw gesanctioneerd te worden.

Als de Veiligheidsraad later deze week de strijdende partijen in Bosnië-Herzegovina het negen-puntenplan dwingend oplegt, kunnen de beide bemiddelaars met een zucht van verlichting concluderen dat de vrede dichterbij is gekomen. Maar dat is helaas een fictie. De Balkan is een regio, waar opgelegde regelingen per definitie mislukken. Er zijn in de recente geschiedenis van de Balkan ten minste geen voorbeelden te noemen van opgelegde regelingen, die meer dan slechts een zeer tijdelijk succes hadden. Op de Balkan werden dure vredes al kort nadat ze in het logboek van de geschiedenis waren bijgeschreven geschonden, zoals die na de beide Balkanoorlogen; zelfs interne arrangementen - het Joegoslavië van het interbellum heeft er voldoende voorbeelden van - hielden maar zelden lang stand. Alleen het federatieve model van Tito na de oorlog kan misschien - met veel goede wil - worden beschouwd als een regeling, die ruziënde partijen werd afgedwongen of opgelegd. Maar dat is wel een historische parallel die aan alle kanten mank gaat, vergeleken met de situatie van 1993: er woedde toen geen burgeroorlog (meer); er was een nieuwe ideologie, een nieuw systeem, er waren nieuwe leiders, de vijand was een externe vijand geweest, en vooral: er was Tito, de nieuwe arbiter die door iedereen als zodanig was geaccepteerd.

De kans bestaat dat de V-raad deze week zwicht voor het makkelijke argument, dat de internationale gemeenschap een alibi nodig heeft om te verhullen dat ze niet in staat is het gecompliceerde probleem diplomatiek op te lossen. Maar de oorlog gaat door, evenals de etnische zuiveringen, de schendingen van de mensenrechten. De grenzen van de tien provincies worden door niemand geaccepteerd en de rond één miljoen vluchtelingen blijven wat ze zijn: ontheemd en berooid. De activiteiten van Vance en Owen zijn steeds duidelijker wat ze vanaf het begin in wezen steeds zijn geweest: moedig maar marginaal; een bewijs van onvermogen - niet van de bemiddelaars zelf, maar van de internationale gemeenschap.