Onderscheidingen op feest-tweedaagse; Rock & roll, veel lof en vuurwerk bij afscheid Beeren

AMSTERDAM, 1 FEBR. Vanmorgen was het weer raak in het Stedelijk Museum. Rudi Fuchs deed er zijn intrede als nieuwe directeur op de zoveelste druk bezochte receptie. Zijn achternaam garandeert dat hij straks mag deelnemen aan het "dierenkwartet'; het reguliere overleg met de heren directeuren Henk van Os van het Rijksmuseum, Ronald de Leeuw van het Van Gogh Museum en Robert de Haas van de Rijksdienst, die het nu voortaan zonder Wim Beeren moeten stellen.

De "loner' van het gezelschap, die in het dierenrijk de reputatie geniet van uiterst gemoedelijk maar volstrekt onberekenbaar, nam het afgelopen weekeinde met een feestelijke "tweedaagse' afscheid van zijn Stedelijk Museum. Datzelfde museum dat onder zijn supervisie de afgelopen zeven jaar meer dan tweehonderd tentoonstellingen realiseerde, maar dat hem ook de nodige nachtmerries bezorgde.

Over de oorzaken van die nachtmerries werd tijdens de feestelijkheden nauwelijks gerept. Eerst kreeg Beeren tijdens een officiële ontvangst vrijdag diverse onderscheidingen uitgereikt. Hij werd benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, kreeg de Gouden Museummedaille van de Stad Amsterdam, die ook zijn voorgangers Sandberg en De Wilde ten deel was gevallen, en hij mocht nog een Russische onderscheiding in ontvangst nemen, de "Commemorative Medal of the Ministry of Culture of the Russian Federation'.

Zaterdag stond er rock & roll op het programma, de oerbeat van een Senegalees combo, en het Dante Orgel van dirigent Eric Hobijn, die hoge vuurkolommen de nachtelijke hemel in spoot; een definitieve blow-out voor de vertrekkende directeur, wiens opvolger intussen met opgetrokken wenkbrauwen de disco-vloer van het museum in ogenschouw nam.

Die tweede feestdag was plechtig begonnen met een schitterend concert in de Kleine Zaal van het Concertgebouw, aangeboden door de Vereniging Vrienden van het Stedelijk Museum. Het Poolse Silesian String Quartet speelde twee eigentijdse stukken die de Pool Eugeniusz Knapik voor de Belgische kunstenaar Jan Fabre had gecomponeerd. Kon je het ene moment een bergbeekje horen ruisen, de strijkers lieten de toehoorders het volgende ogenblik met datzelfde virtuoze gemak achter op een grootstedelijke slagader waar in de abrupte klankbogen van het dolgedraaide verkeer ook nog het gedonder van een supersonische jet viel te beluisteren.

Vrijwel geruisloos vloog er na afloop van het concert boven het Museumplein nog een vliegtuigje met de groet "Vaarwel Wim Beeren'. De gewaarschuwde concertgangers vonden het allemaal "o, wat enig', de meeste passanten hadden die ochtend blijkbaar wat anders aan hun hoofd.

's Middags, op het drukker bezochte symposium in het Rijksmuseum, namen enkele collega's de taak op zich terug te blikken op één van Beerens tentoonstellingen. Cor Blok, docent aan de Jan van Eyckacademie in Maastricht, sprak in grote ernst over de legendarische overzichten "Op Losse Schroeven' (1969) en "Sonsbeek buiten de Perken' (1971). Het waren de eerste grondige confrontaties in Nederland met onder meer minimal- en Land-art; tentoonstellingen, “waarvan men nu zelfs de betekenis nauwelijks begint te begrijpen”.

Rini Dippel, de plaatsvervangend directeur van het Stedelijk Museum die binnenkort met vut gaat, deed daarna uitvoerig uit te doeken hoeveel inspanningen het vergde om de toenmalige Sovjet-Unie te bewegen mee te werken aan de Malevich-tentoonstelling. Er kwamen delegaties, bilaterale ministeriële overlegrondes en protocollen aan te pas, voordat in maart 1989 het zwarte vierkant van Malevich eenzaam tentoongesteld kon worden.

Jan Hoet, directeur van het Museum van Hedendaagse Kunst in Gent en samensteller van de Documenta 1992, had zich niets aangetrokken van de opdracht toch vooral te spreken over de "Horn of Plenty' (1989). Hij “vertrok van de achterflap van de catalogus”, waarop de pisbakken van de Amerikaanse kunstenaar Robert Gober prijkten en vroeg zich af “wat toiletten zoal niet kunnen doen voor de kunst”. Een hilarisch, af en toe serieus toespraakje over de w.c. als “La machine solitaire”, waartoe Hoet was geïnspireerd door een met urinoirs verluchtigde Documenta-kunstwerk van de Rus Ilja Kabakov, wiens Grote Archief net in het Stedelijk is geopend.

“Het toilet is in de kunst de laatste jaren een regelmatige verschijning. De mens die zijn behoefte doet zit plotsklaps alleen, verbonden met het heelal, maar ook verbonden met het kleinste”, betoogde Hoet, die uitgebreid inging op de "wedervereniging' van de uitwerpselen van de mens met de aarde. Als enige spreker refereerde hij opmerkelijk fel aan de Barnett Newman-affaire, die naar zijn zeggen de nieuwe Stedelijk-directeur Rudi Fuchs niet beter had kunnen afwikkelen.

Verreweg de interessantste bijdrage leverde Frans Haks, directeur van het Groninger Museum. Hij herkende duidelijke parallellen in de manier van programmeren van Beeren en van Sandberg, die van 1945 tot 1962 directeur van het Stedelijk was. Sandberg, zei Haks, introduceerde in Nederland de "complexe' tentoonstelling, waarbij niet aan één kunstenaar aandacht werd besteed, maar aan diverse kunstvormen, groepen kunstenaars, of thema's, zonder geografische of chronologische grenzen, en zonder hiërarchie. Die traditie is door Beeren voortgezet.

Haks constateerde maar 'e'en dissonant: De voorgenomen sloop van de in de jaren vijftig gebouwde Nieuwe Vleugel, een “historisch monument” dat ten onrechte moet plaatsmaken voor de nieuwbouw van het Stedelijk. Verder was de Groningse museumdirecteur nogal ontstemd over de "zurigheid' van de Nederlandse kritiek op de periode-Beeren. Hij hoopte dat de toekomst in dit opzicht eveneens een parallel met Sandberg te zien zou geven, want “ook Sandbergs symfonie werd steeds verstoord en het applaus kwam pas toen hij het Stedelijk al lang verlaten had”.

Van Os, tenslotte, refereerde aan Beerens "vaagheid'. Van hem was vroeger aan de Universiteit van Groningen al nooit een duidelijk plan of hanteerbare begroting te verwachten. Maar, voegde hij eraan toe, hoe kon het ook anders in de kunstwereld, waarin dankzij de kunstenaars morgen alles weer anders kan zijn dan het er vandaag uitziet. Hij dankte Beeren voor zijn “seculier priesterschap, dat hij dertig jaar lang met veel overtuiging heeft vervuld”.

Beeren had het wat moeilijk met de omschrijving van Van Os, zo bleek uit zijn korte dankwoord: “Je hebt niet helemaal gelijk. Ik denk dat ik er een tijdje voor neem om erover na te denken, of te schrijven, of zoiets”.

Het is nog maar de vraag of dat denken en schrijven zich in Nederland gaat afspelen. Want 's avonds, in de stampvolle benedenruimtes van het Stedelijk, waar vele nieuwsgierigen uit het beeldende kunst-circuit, gewapend met Beeren-badge, naar toe waren getrokken, deed het hardnekkige gerucht de ronde dat de scheidende directeur, zoals in deze krant eerder bericht, wel degelijk naar Istanboel vertrekt om er het nieuwe museum voor moderne kunst van de grond te krijgen. Gevraagd naar de juistheid van dat gerucht onthield Beeren zich van commentaar.

Intussen legde het zevenkoppige schildersgenootschap After Nature in de museumhal de laatste hand aan een levensgroot portret van Beeren en diens vrouw. Het karikaturale, "non-after nature'-resultaat deed verlangen naar een simpele recht-toe-recht-aan foto. Een foto bijvoorbeeld van een afgepeigerde oud-museumdirecteur, die des nachts omstreeks 01.30 uur vertwijfeld én vergeefs naar zijn hoed en jas zocht in een nog steeds overvolle garderobe.