Kritiek op nota over voortgezet onderwijs

DEN HAAG, 1 FEBR. De manier waarop staatssecretaris Wallage (onderwijs) de hoogste klassen in het voortgezet onderwijs wil inrichten, sluit onvoldoende aan op de basisvorming. Dat concluderen drs. J.C. Visser 't Hooft en drs. L. Markensteyn in een vandaag gepubliceerd advies over de plannen van Wallage om de bovenbouw van het voortgezet onderwijs te veranderen. De plannen worden over twee weken in de Tweede Kamer besproken.

Het komend schooljaar wordt de basisvorming ingevoerd: alle leerlingen moeten in de eerste drie jaar van het voortgezet onderwijs dezelfde vijftien vakken volgen. Na de basisvorming kiezen zij een van vier zogenoemde doorstroomprofielen: natuur en techniek, natuur en gezondheid, economie en maatschappij en cultuur en maatschappij.

De commissie somt een aantal punten van kritiek op over de plannen voor de doorstroomprofielen. Zo wordt er volgens Visser 't Hooft en Markensteyn te weinig rekening gehouden met de leerling en diens persoonlijke ontplooiing. “De indruk bestaat dat rendementsverbetering het belangrijkste doel is”, aldus de adviseurs. “Nergens wordt de vraag gesteld wat goed is voor de leerling zelf, wat de school cq het onderwijs kan bijdragen aan zijn persoonlijke ontwikkeling als individu.”

Als tweede punt van zorg noemt de commissie “de onderbelichting van de beeldende vakken en muziek, die al in de basisvorming tot een minimum zijn teruggebracht”. Verder zeggen de commissieleden, die onder meer met vakbonden, decanen en inspecteurs spraken, dat het belang van leerlingbegeleiding onderbelicht is. Zij concluderen dat “uit gesprekken met de vakverenigingen van de b-vakken duidelijk gebleken (is) dat de hoeveelheid leerstof voor de bovenbouw niet alleen veel te omvangrijk is, maar ook te specifiek en verre van algemeen vormend”.

De adviseurs achten het voor de voorgestelde veranderingen van het voortgezet onderwijs noodzakelijk dat alle vakdocenten bij- en nageschoold worden. Ook moet de inhoud van de lerarenopleiding worden aangepast.