In republiek van Weimar ontbrak het leerproces; Duitsland moet er in de eerste plaats voor zorgen dat het verhaal van de geschiedenis van de jaren dertig ook de nieuwe generaties bereikt

De dag dat Hitler werd benoemd tot rijkskanselier, 30 januari 1933, staat als een afschuwelijke ongeluksdag in het geheugen van de Europese volkeren gegrift. Voor Duitsers is de last van deze datum nog zwaarder. De latere eerste president van de Bondsrepubliek Duitsland, Theodor Heuss, heeft het in 1945-'46 herhaaldelijk onderstreept: “Das war das Scheusslichste und Schrecklichste, das uns der Nationalsozialismus antat, dass er uns zwang, uns schämen zu müssen, Deutsche zu sein”. Deze schaamte blijf je als historisch bewuste Duitser voelen als je over de perrons van Auschwitz-Birkenau loopt of bij de drempels van de gaskamers aldaar staat. En je voelt deze schaamte weer als een hevige schok als je 's ochtends opschrikt bij het horen van het nieuws over de moorden van Mölln.

Zestig jaar na 1933 blikken de Duitsers en hun oplettende Europese buren terug op een jaar waarin door xenofobe gewelddadigheid zeventien mensen zijn gedood en honderden gewond. Weer wordt gevraagd of de democratie in Duitsland soms weer op de tocht staat. Dreigt Bonn toch een tweede Weimar te worden? Vaak blijft het antwoord hierop alleen de krappe constatering dat Bonn zeker geen Weimar is. Maar waar liggen nu eigenlijk de verschillen? - Beide republieken werden uit een nederlaag geboren. De democraten moesten beide keren de failliete boedel opruimen. Maar het karakter van de nederlaag was in 1918 en 1945 totaal verschillend. Niemand kon na 1945 nog doen alsof men had kunnen winnen, terwijl de zogeheten Dolchstosslegende na 1918 miljoenen aanhangers telde. Daarbij kwam na de Tweede Wereldoorlog nog het vaak niet openlijk beleden, maar toch aanwezige bewustzijn dat men in een "foute' oorlog gevochten had. Voor massaal militaristisch ressentiment was hierdoor geen ruimte meer. Ondanks de herbewapening kon geen nieuwe romantisering van de oorlog ontstaan. Bonn werd een onvergelijkbaar civielere republiek dan Weimar was met zijn paraderende oud-strijders en para-militairen. - In de Weimar-periode kan men in Duitsland van vier krachtvelden spreken: de republikeinen, de anti-democratische conservatieven, de communisten en de nationaal-socialisten. Vooral tussen de republikeinen en hun tegenstanders lagen diepe kloven, verscherpt door de felheid van de sociale tegenstellingen.

De republikeinen, al vanaf 1920 een permanente minderheid, waren de enigen die het in 1919 opgerichte wankele noodgebouw van de democratie wilden bewaren - niet uit een diep gevoeld geloof, maar uit de nuchtere berekening dat er geen beter alternatief was. Veel uitstraling had deze houding uiteraard niet.

De andere krachtvelden konden daarentegen op attractieve mythen steunen: de mythe van het gouden tijdperk van het keizerrijk dat terug zou kunnen komen, die van de toekomstige klasseloze communistische heilsstaat en die van de machtige nationaal-socialistische Führerstaat.

Deze drie mythen hebben zich sindsdien als luchtkastelen ontpopt, zodat de democraten van Bonn er niet meer onder hoefden te leiden. Men zou kunnen zeggen dat Weimar zijn verleden, zijn heden en zijn toekomst tegen zich had. Bonn daarentegen had alle drie mee: Het verleden, want het zou allemaal beter gaan dan onder de nazi's en in de als bijzonder moeilijk ervaren jaren 1945-'48. Het heden omdat het model Bonn voor de overgrote meerderheid van de Duitsers zoveel attractiever was dan het alternatief in de DDR. En de toekomst: hier bood de idee van de Europese eenwording een veelbelovend perspectief.

Door de stille revolutie, die zich als een door de Nederlandse historicus F. Wielenga terecht onderstreepte fundamentele mentale verandering in de eerste twee decennia binnen de Bondsrepubliek Duitsland voltrok, kon het democratische leerproces beginnen dat in Weimar nooit een kans heeft gekregen. En juist door het ontbreken van dit leerproces was Weimar ten dode opgeschreven, niet door de soms aangehaalde ontbrekende voltooiing van de revolutie van 1918-'19.

- In 1948-'49 trok men in de Parlementaire Raad in Bonn constitutionele lessen uit het falen van de republiek van Weimar. De grondwet van Bonn zorgde voor een aantal institutionele voorwaarden - zoals bijvoorbeeld de constructieve motie van wantrouwen - die het functioneren van het democratische systeem bevorderden. Maar wij hoeven Weimar niet slechter voor te stellen dan het was. Hadden de republikeinen hun unieke meerderheid van 75 procent die zij in de verkiezing voor de nationale vergadering in januari 1919 behaalden, kunnen behouden, dan zou het grondwettelijke systeem van Weimar ook hebben kunnen werken. De geschiedenis van eindeloze elkaar snel opvolgende regeringen en het machtsmisbruik door Rijkspresident Hindenburg hebben meer met de krachtsverhoudingen in de jaren 1920 tot 1933 te maken dan met de constitutionele voorwaarden op zichzelf.

- Internationaal gezien was Bonn van begin af aan in een onvergelijkbaar betere positie. In het kamp van het Westen in een gedeeld Europa moest het wel de facto de Duitse deling accepteren. Door zijn partner-rol als "Gastsieger' werd het ondanks de "grenzen van 1937'-retoriek niet gekweld door een fel revisionisme dat uit onbevredigde verlangens naar een correctie van de status quo olie op het vuur van potentiële tegenstanders had kunnen gooien. Adenauers bewuste koersbepaling naar integratie in het Westen, gesteund door een krachtig anti-communisme, zorgde hier voor heroriëntatie en stabilisering tegelijk.

Na de vredige en internationaal onderbouwde eenwording van 1990 - een immens contrast met de oprichting van het Duitse Rijk van 1871 na drie oorlogen - zijn er wel nieuwe onzekerheden ontstaan over de toekomstige rol van Duitsland in de internationale politiek, maar het zijn onzekerheden binnen de perken van de pro-Westerse oriëntatie, geen fundamentele aanslagen hierop.

- Hoezeer de economische geschiedenis van Weimar en Bonn verschilt, behoeft hier geen lang betoog. Destabilisatie en desoriëntatie door de hyperinflatie en de economische wereldcrisis aan de ene kant, integratie door het Wirtschaftswunder aan de andere kant, de verschillen kunnen niet groter zijn. Beslissend in de Bondsrepubliek is de nieuwe ervaring dat de democratie welvaart en redelijke sociale gerechtigheid kan waarborgen en zelfs de kracht heeft om met een produktieve flexibiliteit op crises en uitdagingen te reageren.

In de ogenblikkelijke situatie is er bijzonder veel behoefte aan deze kracht. De uitdagingen zijn met de misère in de oostelijke deelstaten groter dan ooit, en oplossingen op vele terreinen nog maar gedeeltelijk in zicht. Na een aantal fundamentele fouten bij het eenwordingsproces lijkt de regering-Kohl echter maar zeer gedeeltelijk in staat de uitdaging aan te gaan. Maar men moet niet vergeten dat wij pas in de derde winter na de eenwording leven. In de winter van 1947-'48 was de reddende oever van de veilige economische groei in Duitsland nog buiten elk blikveld. Ondanks de huidige recessie in de oude Bondsrepubliek die een vertraging van het herstelproces in het oosten zal veroorzaken, is het economische perspectief geen reden tot blijvend pessimisme. Weimars problemen waren onvergelijkbaar groter. De ontstaansvoorwaarden, de maatschappelijke krachtsverhoudingen, de constitutionele structuur, de internationale inbedding en de economische ontwikkeling, al deze en vele hier niet nader genoemde factoren maakten de republiek van Weimar tot een volstrekt ander politiek organisme dan de republiek van Bonn.

Het waren de oude elites die na 1930 hebben geprobeerd Weimar om zeep te helpen. Het was de combinatie van hoogmoedswaanzin en politiek onbenul dat ertoe leidde dat zij in januari 1933 dachten Hitler voor hun eigen kar te kunnen spannen. De knecht bleek binnen enkele maanden de baas te zijn.

De Bondsrepubliek Duitsland heeft daarentegen ondanks alle crises en onvolkomendheden een in 1949 door niemand verwachte success story beleefd. Van Adenauer naar Brandt, van Schmidt naar Kohl heeft deze republiek aangetoond dat zij in tal van opzichten een geslaagde normale democratie is geworden. En zij is in 1989/90 voor het intussen gegroeide internationale vertrouwen beloond met de opvallend gemakkelijke wijze waarop haar nationale hoofddoel tot stand kwam, de Duitse eenwording.

En toch blijft ook de nieuwe Duitse republiek uitzonderlijk. Geen enkele Duitse staat kan na Auschwitz nog onbevangen tegenover de geschiedenis staan. Het is in het licht van deze positie van uitzonderlijkheid dat het losbarsten van de vreemdelingenhaat in Duitsland in 1991 en '92 zo angstwekkend is.

Maar Duitsland staat niet aan het begin van een nieuw tijdperk waar de krachten van inhumaniteit en racisme het voor het zeggen zullen hebben. De reëel bestaande problemen van de integratie van grote aantallen buitenlanders in combinatie met de sociale spanningen vooral in het oosten van Duitsland en de daar aanwezig angsten en potentiële agressiviteit zullen wel nog herhaaldelijke keren aanleiding tot schokervaringen geven. Wij zullen misschien zelfs er tijdelijk mee moeten leven dat rechtsradicale partijen met tien of zelfs vijftien procent in de Duitse parlementen vertegenwoordigd zijn. Wellicht moeten wij ons op een periode van grote sociale en politieke spanningen instellen die tot diep in de jaren negentig voortduurt.

Zolang echter de overgrote meerderheid van de Duitsers de democratische partijen zal blijven steunen en hier bij alle meningsverschillen de grondwettelijke consensus bewaard blijft, zal Duitsland zijn weg ook deze keer door de interne crisis vinden. Hoewel de politieke verhoudingen onder grote druk kunnen komen te staan en de politici nog vaker op keizers zonder kleren kunnen lijken, 1933 staat in ieder geval niet meer voor de deur.

De herinnering aan de gebeurtenissen van toen biedt echter alle aanleiding er in de eerste plaats voor te zorgen dat het verhaal van de Duitse geschiedenis in de jaren dertig ook de nieuwe generaties bereikt en dat sinistere pogingen van holocaust-ontkenners en andere vergoelijkers geen kans krijgen. Ten tweede dient met grote kracht voorkomen te worden dat racisme en vreemdelingenhaat als oud-nieuw vergif vat krijgen op steeds grotere groeperingen in onze samenlevingen. Het "Derde Rijk' laat als meest in het oog springende les in de Europese geschiedenis zien, waar beide verhoudingen bij extreme krachtsverhoudingen toe kunnen leiden. Maar ook veel minder vergaande vormen ervan zijn een belasting voor het maatschappelijk klimaat en dienen met alle fantasie en inspanning te worden bestreden.