Filmfestival R'dam ontvangt te veel films met open armen

ROTTERDAM, 1 FEBR. Alles bij elkaar genomen beleven een kleine twintig korte en lange Nederlandse films hun wereldpremière tijdens het 22ste Filmfestival Rotterdam. Zelfs indien men Emile Fallaux' uitspraak beaamt, dat de vaderlandse jaarproduktie internationaal helemaal geen slecht figuur slaat, had een wat strengere selectie betere resultaten op kunnen leveren. Ooit was het een bijzondere onderscheiding om als Nederlandse filmer geselecteerd te worden voor Rotterdam, nu wordt bijna iedereen met open armen ontvangen. Sommige van die produkties zouden tijdens de Nederlandse Filmdagen op een enthousiaste ontvangst hebben kunnen rekenen, maar te midden van het puikje van de mondiale filmkunst vallen ze door de mand.

Dit harde oordeel treft het lange speelfilmdebuut van Irma Achten, Belle, dat weliswaar ook voor Berlijn geselecteerd werd, maar toch niet meer oplevert dan een van talent getuigend, maar volstrekt ongedisciplineerd vormexperiment met een overmaat aan deraillerende pirouettes. Eveneens in zwart-wit nam Karim Traïdia zijn korte film De vloek op, een horrorverhaal met een schitterende expressionistische belichting, maar ook gekenmerkt door een zwak scenario, dat bovendien door de hoofdrolspeler van begin tot eind verbaal naverteld wordt. De charmante documentaire Dichter bij de zee van Barbara Hanlo en Brigit Hillenius, die poëtische beelden van strandhuisjes bij IJmuiden combineert met buiten beeld opgediste impressies en verhalen van de bewoners, blijft ook beneden de internationale maat.

Twee andere regisseuses, Beatrijs Hulskes en Mirjam van Veelen, besteedden twee en een half jaar aan het in St. Petersburg opnemen en afwerken van de coproduktie De rivier Okkervil, die cut-out animatietechnieken combineert met een verbazingwekkend authentiek ogende Russische speelfilmanekdote over de jonge bewonderaar van een legendarische zangeres. Hulskes en Van Veelen verdienen een pluim voor hun doorzettingsvermogen en inventiviteit, maar wie niets weet van hun positie als buitenstaanders in de Nederlandse filmwereld, staat verbaasd over het feit dat Fallaux hun film, vermoedelijk alleen om die reden, tot het programma toeliet.

Een grensgeval vormt de weerbarstige lange speelfilm Het schaduwrijk van Kees Hin. Aanvankelijk wekt Hin ergernis over zijn cerebrale en houterige verbeelding van een ingenieus en speels scenario, waarin K. Schippers veel van zijn favoriete thema's verwerkte: het mechaniek van het kijken, de benoeming van de wereld, die minder vanzelfsprekend in elkaar zit dan het op het eerste gezicht lijkt, heimwee naar een per definitie verloren jeugd en het functioneren van vergeten en herinneren. In de laatste vijf minuten komt echter de konijn uit de hoge hoed. De cerebrale en terughoudende aanpak tot dan toe blijkt volledig in dienst te hebben gestaan van een zeer emotionele climax, wanneer via een magisch schimmenspel een jeugdherinnering herbeleefd kan worden. Het schaduwrijk ontpopt zich als een film over de toverkracht van de cinema, die hier net als in Bergmans Fanny en Alexander gesymboliseerd wordt door een primitief stukje speelgoed. De truc stelt de kijker zelfs in staat om naar andermans herinneringen te gluren, een opwindende, maar nauwelijks oirbare daad van voyeurisme. Zo krijgt Het schaduwrijk achteraf een intrigerende meerwaarde, en wordt steeds beter naarmate je er langer over nadenkt.

De beste Nederlandse films van dit festival zijn tot nu toe Johan van der Keukens Bewogen koper (na Die zweite Heimat het hoogst gewaardeerd in de publieksenquête) en vier juweeltjes van elk zes minuten, onder de verzameltitel Observaties geregisseerd door Ruud Monster. Met tussenpozen legt Monster zich al zo'n kleine twintig jaar toe op het in miniatuurtjes vastleggen van alledaagse Hollandse taferelen. Hij krijgt die techniek steeds beter onder de knie en tracteert zijn publiek nu op volledig uitgebalanceerde etudes. "Kijk!' lijkt Monster ons toe te roepen: een opgebroken straat, het scheiden van de markt, plezierjachten in een sluis, een veerpont. Er gebeurt heel weinig, maar toch voor de goede observator ontzettend veel, waaronder menigmaal een geënsceneerd incident, dat de op zich zelf staande absurditeit van het tafereel nog verder ontregelt: Sinterklaas in de bouwput, een grijsaard die uiterst traag kistjes stapelt, een paar dat aan boord de liefde bedrijft tijdens het wachten bij de sluis. Monster studeert met zijn Observaties af aan de hogeschool van de documentaire en betoont zich de enige echte erfgenaam van Bert Haanstra.