Cijfers over verkrachte moslimvrouwen niet uit de lucht gegrepen

Volgens de VN-commissie die de in Joegoslavië gepleegde oorlogsmisdaden heeft onderzocht, bestaan er geen aanwijzingen voor het systematisch verkrachten van moslim-vrouwen, en zijn er geen aantallen te noemen. Ik bestrijd echter dat het door de EG-missie genoemde (met voorzichtigheid omklede) getal van 20.000 verkrachte moslimvrouwen uit de lucht zou zijn gegrepen en slechts zou zijn gebaseerd op mededelingen van groeperingen uit Zagreb. Er is, met andere woorden, niets meer aan de hand dan "normale oorlogsverkrachtingen'. Dat is immers de strekking van de publikaties van NRC Handelsblad-redacteuren Peter Michielsen, Laura Starink en Hans Steketee in de krant van zaterdag 30 januari.

Niet alleen door de Serviërs, maar ook door de Kroaten en de Bosniërs wordt op grote schaal verkracht, en komen andere vormen van mensenrechtenschendingen voor, waaronder gruwelijke martelingen. Ook de Kroaten maken zich in Bosnië-Herzegovina schuldig aan etnische zuivering. Cijfers over verkrachtingen worden door alle partijen in de oorlog gebruikt om de andere partij in een nog kwader daglicht te stellen, en nationalistische sentimenten te versterken. In ieder geval lijkt de Kroatische regering meer belangstelling te hebben voor centrale documentatie en registratie van verkrachtingen dan voor daadwerkelijke hulpverlening aan de slachtoffers.

Desalniettemin wil ik toch de bewering van prof.mr. F. Kalshoven weerleggen dat de schatting van 20.000 verkrachte moslimvrouwen niet meer zou zijn dan een gemiddelde van getallen genoemd door nationalistische propaganda.

Meer dan 50 procent van Bosnië-Herzegovina is onder Servische contr^ole. Voor de internationale hulp- en toezichthoudende instanties is toegang tot de gevangenkampen in dit gebied niet mogelijk. Ongeplande inspectiebezoeken zijn onuitvoerbaar.

Aangekondigde bezoeken zoals in het verleden door het Rode Kruis gedaan, na bekendwording van plaatsen waar vrouwen op grote schaal verkracht werden, lieten niets zien. De kampen waren "opgeruimd', waarbij de bewoners in de omgeving als mogelijke getuigen optraden. Over het lot van de gevangenen kan men slechts gissen, maar het ergste moet gevreesd worden.

Deze feitelijke ontoegankelijkheid van kampen waar verkrachtingen nog steeds plaatsvinden, is een van de belangrijkste redenen waarom exacte cijfers niet te geven zijn. Meer zekerheid zal niet te krijgen zijn zolang de oorlog nog voortduurt. Niet alleen zal een deel van de verkrachte meisjes en vrouwen nooit meer kunnen spreken omdat zij zijn doodgebloed dan wel vermoord, ook zal een groot deel van de moslimvrouwen door schaamte- en schuldgevoelens niet geneigd zijn te spreken over de ellende die hun is overkomen.

Bovendien kan verdringen van de traumatische ervaring van verkrachtingen, mishandelingen en vernederingen de enige mogelijke overlevingsstrategie zijn.

Dat de verkrachtingen op dit ogenblik niet worden gedocumenteerd hangt samen met de onmogelijkheid van hulpverleners in Bosnië-Herzegovina om zich in de voortdurende oorlogssituatie daadwerkelijk daarmee bezig te houden. Bosnische artsen zullen door de extreme oorlogsomstandigheden waarin zij moeten werken - onderbezet, onderbetaald, onder zware werkdruk en een gebrek aan alle middelen - liever niet willen horen en weten waarom een vrouw een abortus vraagt. Zij hebben immers in deze barre omstandigheden toch geen enkele mogelijkheid daadwerkelijk hulp te bieden bij het verwerken van een verkrachtingstrauma. Dit bleek uit een gesprek van leden van de EG-missie met gynaecologen in Travnik (Bosnië-Herzegovina). Deze artsen constateerden, dat er sprake was van een sterke toename van verzoeken om abortus van meisjes van 13-15 jaar, op voorwaarde van geheimhouding.

Uit de vele getuigenissen die inmiddels via diverse onafhankelijke bronnen over vele plaatsen bekend zijn geworden, uit gesprekken met artsen, en daarbij rekening houdend met vrouwen die niet willen of kunnen spreken, kan worden geconcludeerd dat een aantal van 20.000 mogelijk nog aan de lage kant is.

Over het al dan niet "op bevel' verrichten van verkrachtingen valt geen uitspraak te doen zolang de oorlog nog voortduurt. Natuurlijk zal een dergelijke opdracht door de (Bosnisch)-Servische legerleiding tegengesproken worden. Wel wordt bij bestudering van de vele getuigenverklaringen duidelijk dat paramilitaire organisaties, bestaande uit plaatselijke Serviërs, een grote rol spelen in het identificeren en vervolgens verkrachten dan wel liquideren van de moslimbewoners van dorpen of plaatsjes. Van ethnische zuivering lijkt daarom zeer zeker sprake te zijn. Alhoewel het voor de bewijsvoering van Kalshoven wel uitmaakt of de vrouwen al dan niet op bevel van hogerhand zijn verkracht, maakt dit voor betrokken vrouwen niets uit.

Zowel in Genève als in Zagreb hebben EG-missieleden gesproken met vertegenwoordigers van de VN-Commissie Oorlogsmisdaden (van Kalshoven) en met die van de missie van de speciale VN-rapporteur over schendingen van de mensenrechten (Mazowiecki). Door beiden werd enige scepsis geuit over de EG-missie, die door haar mandaat niet alleen gedwongen was zich eenzijdig te beperken tot Bosnische moslimvrouwen, maar ook nog eens tot verkrachtingen. Deze scepsis klinkt nu door in de twijfel aan de bevindingen.

In de Tweede Wereldoorlog konden we misschien nog zeggen: "we hebben het niet geweten'. Deze zinspraak lijkt nu vervangen te worden in: "we weten het wel, maar de exacte cijfers ontbreken nog steeds'. Het blijven wachten op exacte cijfers, die nooit te verkrijgen zullen zijn, en die bovendien deels ten koste zullen gaan van de al slechte geestelijke gezondheid van de slachtoffers, dreigt een nieuwe legitimering te worden van het aanzien en daarmee inpliciet goedkeuren van de gruweldaden die nog worden gepleegd.

De uitspraak van Heleen Habraken, dat artsen zich moeten bezighouden met de hulp aan verkrachte vrouwen in plaats van zich bezig te houden met uitspraken over de achtergronden van verkrachtingen, is dan ook verontrustend. Juist als arts is het van belang "de achterliggende oorzaak van de ziekte' te onderzoeken, om zo niet alleen met symptoombestrijding bezig te zijn. Dit houdt niet in dat niet tevens aandacht besteed moet worden aan de symptomen, in casu de opvang en hulp voor verkrachte vrouwen, wat trouwens een belangrijk onderdeel vormde van de EG-missie. Echter, door ons alleen te richten op hulpverlening, versterken we het gevoel van "toch een nuttige bijdrage te leveren' en kopen we ons collectieve schuldgevoel af.