BUITENKANSJE VOOR BUITENSTAANDER

Nederland mag dan een toonaangevend schaatsland zijn, in de sprintdiscipline is het altijd behelpen geweest. Jan Ykema zorgde in '88 voor een enorme uitschieter door zilver te veroveren op de Spelen. Ard Schenk, Eppie Bleeker en Jos Valentijn vertoefden in de begin jaren zeventig nog bij de top drie van de wereld. Daarna telde Nederland eigenlijk niet meer mee. Symptomatisch voor de armoede op dit onderdeel is de tweede plaats van allrounder Arjan Schreuder tijdens het nationaal kampioenschap van afgelopen weekeinde in Utrecht.

Je zal maar tot de tien beste allrounschaatsers van de wereld behoren en je krijgt nooit een kans dat op het hoogste platvorm te etaleren. Niemand kent je. Zelfs niet in je eigen land, de schaatsnatie bij uitstek. Onbekend maakt onbemind. En dat wil je wel eens een keer veranderen. Dan doet er zich een buitenkansje voor om in een wereldje van pseudovedetten je een weg te banen naar een groot internationaal toernooi. Die mogelijkheid uit de anonimiteit te treden grijp je natuurlijk met beide handen aan. Arjan Schreuder uit de kernploeg van Ab Krook eindigde op het Nederlands kampioenschap sprint als tweede, minder dan een halve punt achter Gerard van Velde. Maar ver voor specialisten als Arie Loef, Marco Groeneveld en Nico van der Vlies. Voldoende voor een ticket naar Japan waar in Ikaho op 27 en 28 februari het wereldkampioenschap sprint wordt gehouden.

De tevredenheid is wederzijds. De keuzeheren (Ard Schenk en kernploegcoach Wopke de Vegt) konden volgens de selectienormen kiezen wie ze wilden. Maar ze selecteerden Schreuder graag, want de 21-jarige rijder uit het Noordhollandse dorpje Den Ilp kan Nederland door zijn duizend meter (1.16,39) misschien aan een derde startbewijs helpen. De Vegt repte op de "Vechtsebanen' over het landsbelang. “Met Schreuder zullen we in ieder geval geen startbewijs verliezen. Hij is snel en explosief. Zijn techniek effectief. We zitten op dit moment met grote niveauverschillen bij de sprinters. Dat mag echter geen gevolgen hebben voor het aantal deelnemers.”

Schreuder dus als joker in Japan. Hij zit vooralsnog in de kernploeg van Ab Krook eigenlijk op een dood spoor. De concurrentie in het elitekorps is zo moordend dat de weg naar de grote internationale toernooien de komende twee jaar nog versperd blijft. Misschien dat zijn kwaliteiten op de middellange afstanden (1000 en 1500 meter) hem wel de gelegenheid bieden deel te nemen aan de Olympische Spelen. Wat de EK's en WK's betreft ziet het er somber uit. Knarsetandend had hij de eerste dag van het spektakel in Heerenveen gevolgd. Voor de televisie wel te verstaan. Op het NK afstanden, enkele weken daarvoor, had hij met een vierde plaats in het fictieve klassement aangetoond niet zoveel onder te doen voor Rintje Ritsma en Bart Veldkamp. “Als je dan ziet hoe die twee presteren op het EK dan doet dat wel pijn. Rintje knabbelt zeven seconden van zijn persoonlijke record af op de vijf kilometer en Bart reed weer een heel goede tien kilometer. Mag je aan die grote toernooien deelnemen dan kom je in een opgaande spiraal terecht. Zit je thuis dan val je er echt buiten. Terwijl ik tot nog toe in alle wereldbekerwedstrijden bij de eerste vier ben geëindigd. Ik zou op het EK ook bij de top vijf zijn gekomen.”

Leen Pfrommer stoomde Schreuder twee jaar geleden klaar voor de kernploeg. Niet met de bedoeling om van hem een soort eeuwige reserve te maken. “Schreuder is het beste voorbeeld van een schaatser die het slachtoffer is geworden van de nieuwe regel dat er nog slechts drie rijders per land aan de start mogen verschijnen”, zegt de coach van Jong Oranje. “Twee jaar geleden werd hij in Calgary op het WK voor junioren gediskwalificeerd door een verkeerde wissel. Maar zijn tijden waren toen al heel scherp: 38.22 op de 500 meter, 1.55 op de 1500, 4.01 op de drieduizend meter. Arjan is een pure allrounder. Dat is zijn sterkste maar tevens ook zijn zwakste punt. Want was hij een sprinter of een stayer dan kon hij zich beter specialiseren. Het is geen jongen die ik Bart Veldkamp in de naaste toekomst zie kloppen.”

Zelf denkt Arjan Schreuder wel dat Veldkamp, die ondanks zijn stayersspecialiteit de WK's en EK's wil blijven rijden omdat het goede wedstrijden zijn, door hem te passeren is. “Bart wordt wat minder en ouder. Ik ga steeds beter rijden.” Schreuders persoonlijke records op een normale vierkamp zijn momenteel 38.26 (500m), 1.53,80 (1500m), 6.58,1 (5000m) en 15.14,63 (10.000m). Met name die laatste afstand is natuurlijk nog voor verbetering vatbaar.

Maar in het sprintgezelschap hoeft hij zich daar geen zorgen over te maken. Na de eerste dag deelde hij de eerste plaats met Gerard van Velde. Door een mislukte 500 meter op de tweede dag (“als allrounder ben je niet gewend om zo kort achter elkaar explosiviteit te tonen”) moest de MEAO-student tijdens de 1000 meter te veel goed maken om nog in aanmerking te komen voor de titel. De prestatie op de kilometer van Van Velde was echter zo abominabel dat Schreuder toch nog dicht in de buurt kwam met z'n 1.17,33. Wopke de Vegt voerde de conditie van het ijs als excuus aan voor het feit dat Schreuder zo goed reed en zijn pupillen zo matig. “Het ijs was nogal zacht. Gerard van Velde is dan met zijn negentig kilo toch in het nadeel. Schreuder is klein en licht (72 kilo toch nog, red.). Ik vind dat je van mijn pupillen op dit moment alleen Van Velde, Aaftink en Meijer serieus moet nemen. Nico van der Vlies reed onlangs in Davos wel 38 blank en 1.15,4, maar hij is nog te jong om constant te presteren. Bovendien heeft hij door een val op de 500 meter geforceerd gereden.”

Arjan Schreuder heeft een heel andere visie. Hij wijst op de gezapigheid in de sprintkernploeg, die Gerard van Velde onlangs ook signaleerde. Schreuder neemt geen blad voor de mond. “Dit is toch een klasje? Ik was ook in een hal bovenin geëindigd. Als je in de sprintploeg zit moet je zorgen dat je er staat op het Nederlands kampioenschap. De mannen hebben allemaal slecht gereden, ook de vrouwen kwamen niet goed uit de verf. Zelfs Aaftink was niet in vorm. Haar basiskracht is echter zo goed dat ze ook met de handen op de rug gebonden nog iedereen klopt. Ik denk dat er in de aanloop naar dit toernooi te weinig op duurvermogen is getraind. Je ziet hoe al die jongens op de duizend meter een enorm verval tonen. Seconden verliezen ze dan in de eindtijd. Ik weet wel dat je niet te veel op die kilometer kunt trainen, want dan gaat dat weer ten koste van de sprint. Maar iets meer reserve zou bij de meesten toch geen kwaad kunnen. Ik heb die kernploegleden weleens bekeken als ze trainden. Na tien rondjes gaan de ruggen al weer omhoog.” Het eindoordeel van Schreuder is dan ook vernietigend: “Het sprinten staat er in Nederland gewoon slecht voor. Ook bij junioren wint een allrounder (Martin Hersman, red.). Kennelijk wordt er in de gewesten al te veel richting het allroundwerk gestuurd.”

Wopke de Vegt kan zijn voordeel doen met de krasse taal van Arjan Schreuder. De kernploegcoach zou ter voorbereiding op de Spelen van volgend jaar de Waterlander wel bij zijn team willen betrekken. Maar geen haar op het hoofd van Schreuder die er aan denkt naar de sprintploeg over te stappen. “Ik blijf ook volgend seizoen in de ploeg van Ab Krook trainen. Daar krijg ik een betere begeleiding en zijn er meer faciliteiten. Met Falko Zandstra en Rintje Ritsma kan ik op de korte afstanden ook trainen. Die waren hier zeker bij de eerste drie geëindigd.”