In de kasserol; Over dictees en de spelling van het Nederlands

Wat is het nut van spellingshervormingen? De geschiedenis van de spelling in de twintigste eeuw is een soort "histoire de la folie', vol hologige profeten met wapperende baarden, pontificerende taalgeleerden, trouwhartige wereldverbeteraars en sombere fanatici, verschanst in hun knollentuinen en elkaar bestokend met banvloeken - tragisch en tegelijk onweerstaanbaar komisch.

G.C. Molewijk: Spellingverandering van zin naar onzin (1200-heden). Uitg. SDU Den Haag 1992, 581 blz. N.B. geen register. Prijs ƒ 89,90.

Toen Raymond Queneau eens werd gevraagd welke fouten hij de mensen het minst aanrekende, antwoordde hij: spelfouten. Dat ben ik met hem eens. Zo zat er een spelfout in de brief waarin ik werd uitgenodigd om deel te nemen aan het Groot Dictee der Nederlandse Taal, maar dat is niet waarom ik de uitnodiging niet heb aangenomen. De reden is dat onze taal met zulke dictees volgens mij een zeer slechte dienst wordt bewezen; eerder dan deel te nemen zou ik alles doen wat in mijn vermogen ligt om dit misleidende ritueel te beeindigen.

Met dat Nationale Dictee immers wordt ten onrechte de indruk gewekt dat de spelling van het Nederlands zo satanisch moeilijk is dat zelfs ontwikkelde Nederlanders niet in staat zijn hun eigen taal te schrijven. Ook nu weer: in het uit tien zinnen bestaande dictee maakten de 56 deelnemers gemiddeld 25 fouten. Het jaar daarvoor was het gemiddelde ook 25. Van de zg. "prominente' Nederlanders die meededen had zelfs de beste niet minder dan 19 fouten.

Nou ja, een spelletje, zo zou je kunnen zeggen, een onschuldig tijdverdrijf, maar het is koren op de molens van het onuitroeibare slag mensen dat telkens opnieuw de spelling van het Nederlands wil veranderen: "zie je wel, zelfs hoog opgeleide Nederlanders maken niet minder dan twee fouten per zin; onze spelling is voor schoolkinderen veel te moeilijk en moet dus drastisch worden vereenvoudigd'.

Dat is weliswaar een drogreden: de moeilijkheden verwerkt in deze dictees zijn kunstmatig, in feite voornamelijk het product van de verwarring gesticht door de spellingsvereenvoudigers zelf. De meeste fouten zijn te wijten aan de volslagen arbitraire Nederlandse spelling van een aantal leen- of bastaardwoorden, vastgesteld door een Commissie. Vandaar dat zelfs de winnaar van het tournooi zijn tanden brak op het woord "thijm', want daar heeft een van die Commissies "tijm' van gemaakt, zoals zij fourageren hebben veranderd in foerageren, toast in toost en casserole in, ik verzin het niet, kasserol. Maar voor de spellingsmaniakken zijn de behaalde scores een welkome gelegenheid om weer te roepen dat er een "spellingsprobleem' bestaat en dat er nodig een Commissie moet komen om dit vraagstuk te "bestuderen'; in die Commissie zijn ze dan zelf weer vertegenwoordigd.

De vloek die op onze taal rust is niet de spelling, maar die Commissies, want concluderen dat ze een niet-bestaand probleem bestuderen ligt niet in hun vermogen. Gelukkig is er nu eindelijk een boek waarin de steen wordt opgelicht waaronder zij zich sinds jaar en dag ongestoord hebben kunnen vermenigvuldigen, namelijk Spellingverandering van zin naar onzin (1200-heden), door G.C. Molewijk.

Dit boek, een zeer gedetailleerde geschiedenis van de spelling van het Nederlands, geeft "een beschrijving van de evolutie van de spelling, de achtergronden van die evolutie, het nut van vroegere wijzigingen, de overbodigheid van huidige wijzigingsplannen, de uitgevochten spellingtwisten en de wijze van redeneren en ruziemaken'. Het resultaat is zo meeslepend dat je er op ieder willekeurig punt in kunt beginnen en daarna het boek niet meer neerlegt.

Tot en met de 19de eeuw is er nog sprake van een vrij redelijk streven naar een adequate en zoveel mogelijk uniforme notatie, maar daarna gaat het mis; wat dan volgt doet denken aan het ontstaan van een godsdienst: de spellingshervormingen krijgen plotseling het karakter van een heilsverwachting, compleet met sectevorming en beheerst door die merkwaardige essentie van bijna alle religies: wie de heilsboodschap niet wil aanvaarden moet op de brandstapel. De geschiedenis van de spelling in de 20ste eeuw is een soort histoire de la folie, vol hologige profeten met wapperende baarden, pontificerende taalgeleerden en maniakale knutselaars, trouwhartige wereldverbeteraars en sombere fanatici, verschanst in hun knollentuinen en elkaar bestokend met banvloeken - tragisch en tegelijk onweerstaanbaar komisch.

Heilsverwachting

De directe heilsverwachting verbonden aan een vereenvoudigde spelling laat zich het best illustreren met de ontroerende formule van P.C. Paardekooper: "Als onze kinderen die [spelling] op school leerden zouden ze geen ogenblik verbaasd staan en geen enkele spelfout maken. Binnen een paar uur zouden ze de hele spelling onder de knie hebben, en we hadden er daarna geen omkijken meer naar. Dat zou ons duizenden uren ondankbaar werk besparen.'

Dat laatste is telkens opnieuw de belofte: de nieuwe (fonologiese, wetensgappeleke, demokratiese, ijgentijtse etc.) spelling zal een wonderbaarlijke winst aan tijd opleveren, die dan gebruikt kan worden voor "echt taalonderwijs'. In kringen van spellingsvernieuwers is zelfs wel gesuggereerd dat men in zijn maag zou komen te zitten met al die vrijgekomen uren, zoals er in China in de tijd van de Grote Sprong Voorwaarts artikelen in de kranten verschenen over de vraag wat er gebeuren moest met het enorme voedseloverschot dat binnenkort ontstaan zou. De gevolgen zijn bekend: de mensen stierven bij millioenen van de honger.

Het wonderlijke van deze dingen is het totale gebrek aan interesse in de werkelijkheid: achtereenvolgende generaties van spellingsverbeteraars hebben steeds weer dat fata morgana van de vrijgekomen tijd voorgespiegeld, zonder dat het ooit bij iemand opkwam - niet bij henzelf, maar ook niet bij die overheidscommissies - om te onderzoeken of het waar was. Zo kon het gebeuren dat er telkens opnieuw aan de spelling werd gesleuteld zonder dat het tot de verantwoordelijke wetgevers doordrong dat deze voorspellingen zich nooit hebben bewaarheid en integendeel eerder een negatief effect hebben gehad. En dat waren dan nog maar compromissen; je moet er niet aan denken dat de totalitaire opvattingen van Paardekooper, Berits, Kohnstamm, Van Oosten c.s. het pleit hadden gewonnen. Ik heb begin jaren '70 verschillende debatten met deze mensen meegemaakt en wat mij nog levendig voor de geest staat is hun bereidheid alles op te offeren: al werd onze hele geschreven cultuur op slag onleesbaar, de spelling moest radicaal anders. In de woorden van "kriitiisu Sgoolloogoopedist' W.L.K. van Oosten: "Als door het opofferen van het Louvre en het Britse Museum de Franse en Britse jeugd gelukkiger zouden worden, dan moeten deze gebouwen onmiddellijk verdwijnen.'

Dezelfde G.A. Kohnstamm die nu probeert de ravages op te dweilen met een Cultureel Woordenboek ter aanvulling van de algemene ontwikkeling die leerlingen in ons onderwijs derven (nog kortgeleden beschreef Kees Fens hoe de helft van een collegezaal vol studenten Nederlands niet wist wat het woord kerstenen betekent), diezelfde G.A. Kohnstamm gaf nog in 1971 de stoot tot de vorming van een "Aksiegroep Spellingvereenvaudiging 1972', waarin de vier meest extremistische organisaties werden verenigd voor een "krachtig offensief' tegen onze "elitaire' spelling. Weliswaar stonden ze onderling sterk verschillende spellingen voor, maar wat hen bond was de opvatting dat de "verrotte en burgerlijke samenleving met zijn verauderde kunstvormen' tegen de vlakte moest. Immers "voor de Noortnederlander speelt zo'n bant aan het verleden helemaal geen rol'; we moesten af van de "discriminerende' gangbare spelling die naar Kohnstamm destijds glashard volhield "40 à 50 % van de bevolking niet kon schrijven'.

Aksiegroep

Wat het boek van Molewijk zo onderhoudend maakt is dat hij dankzij minutieus speurwerk skeletten uit de kast van de spellingshervorming weet te halen waarvan wij het bestaan twintig jaar geleden niet vermoedden. Zo heb ik mij er in die tijd wel over verwonderd dat de vereenvaudigde spelling die Kohnstamms aksiegroep voorstond de au had verkozen boven de ou en de ij boven de ei. Ik schreef dat toe aan een al of niet bewuste opzet om te jennen ("jullie zijn auwerwets') en dus te kiezen voor een zo provocerend mogelijk woordbeeld. Dat zal ook wel een rol hebben gespeeld, maar de werkelijke toedracht was nog veel absurder: het bleek "dat de vereenvaudigde wetenschappers een geweldige blunder hadden begaan. Hun keuze voor de au was gebaseerd geweest op een frequentietelling in een artikel van H. Brandt Corstius in De Nieuwe Taalgids, een artikel waarop Damsteegt van de Bastaardwoordencommissie hen had gewezen. Zelf lazen ze blijkbaar geen vakliteratuur. Volgens een opmerking in dat artikel zou de au vaker voorkomen dan de ou. En zo beslisten Kohnstamm and his merry men dat de Nederlanders moesten worden gedwongen voortaan alles met au te spellen. Wij zijn de toekomst! zoals J. Berits op bijeenkomsten de zaal in placht te loeien.

Maar helaas, in die uitspraak in dat artikel waren door een of andere vergissing of zetfout de a en de o verwisseld. In werkelijkheid is het de ou die vaker voorkomt, "iets wat iedereen die boeken leest trouwens al had kunnen vermoeden', zoals Molewijk opmerkt. "Alle luidkeels verkondigde deskundigheid in de VWS en de andere organisaties had niet kunnen voorkomen dat de "wetenschappelijk' genoemde vereenvaudigde spelling voor een visueel zeer opvallend deel op een zetfout was gebaseerd!' Maar intussen had het aan hen niet gelegen of zij hadden ons deze onverantwoordelijke onzin door het keelgat geramd. Onze tegenwerpingen in die tijd werden afgedaan als elitair, asociaal, ondeskundig, "het gepraat van leken die spelling met taal verwarren'.

Kohnstamm is nu naar hij mij eens vertelde allang van zijn dwalingen teruggekeerd, maar intussen zitten we met de peren die hij en de zijnen destijds hebben helpen bakken. Die verbroken continuïteit, die kloof tussen heden en verleden die in Nederland zo opvallend voelbaar is en die met geen tien Culturele woordenboeken ongedaan kan worden gemaakt, daarvoor is de mentaliteit van die aksiegroepen en de door hen gestichte verwarring ongetwijfeld medeverantwoordelijk. Ik ken geen land waar de gedachte dat de mensen uit zelfs het nabije verleden een beetje belachelijke fossielen waren, die "heel anders dachten dan wij' en eigenlijk niets te beweren hadden dat nu nog de moeite van het lezen waard is, zo diep is geworteld als in Nederland. Wat daartoe de eerste stoot heeft gegeven is vermoedelijk de spellingsverandering-Kollewijn geweest, zoals ingevoerd door Marchant in 1934, die aan alles wat in de voorafgaande honderd jaar werd geschreven een onuitwisbare geur van ouderwets, onleesbaar, achterhaald, sponzedoos en grootvaders klok heeft gegeven.

Molewijk voert overtuigende argumenten aan dat deze spellingsverandering achteraf onnodig is geweest en niets positiefs heeft opgeleverd. Het analfabetisme was al in de 19de eeuw verdwenen, iedereen kon lezen en schrijven; er was een gezaghebbend Nederlands woordenboek en een spelling die in zowel België als Nederland algemeen was aanvaard en ingeburgerd; als we het daarbij hadden gelaten zouden wij nu vermoedelijk een met de ons omringende landen vergelijkbaar besef van culturele en historische continuïteit hebben gehad. Iedere volgende spellingsvernieuwing heeft dat besef verder uitgehold.

Hoe komt het dat Nederland op dit gebied zoveel weerlozer is dan andere landen? Meer inspraak? Meer democratie? Van meet af aan al minder historisch besef, minder taalgevoel en minder liefde voor literatuur? Dat eindeloze geknutsel met de spelling heeft ook iets intens provinciaals, iets dat herinnert aan de verhitte debatten in de gemeenteraad van Clochemerle over het al of niet plaatsen van een pissoir; het is wat in buitenlandse ogen het Nederlands steevast reduceert tot een komisch dialect. Iets dat Molewijk niet aanroert is de ongelofelijke bemoeizucht die de Nederlanders van de meeste andere nationaliteiten onderscheidt. In een recent nummer van Indonesia Magazine stond een interview met Lilian Ducelle, de vrouw van Tjalie Robinson, waarin zij haar aankomst in Nederland beschrijft, in 1954: "..Ik zie die juffrouw nog voor me. Ze schrapte op het sollicitatieformulier van mijn voornaam "Lilly' een l door. - "U spelt uw naam verkeerd', zei ze, "die schrijven we hier met één l'.'

Hoofdletters

Ik ben me van de noodzaak van algemene regels natuurlijk bewust, maar ik ervaar de nu gangbare spellingsvoorschriften in sommige gevallen inderdaad als bemoeizucht. Een van de maatregelen die bij mij nog steeds onlust oproept is de arbitraire afschaffing van allerlei hoofdletters, ergens in de jaren '50; "hoftleturs hebu wu nit nodug omdat zu gen fonologisu butekunis hebu' (Vaernewijck). Maar zij maken een text wel veel overzichtelijker en gemakkelijker leesbaar. In het Arabische schrift, dat geen hoofdletters kent, heeft men zelfs geprobeerd ze in te voeren. Nog steeds schrijf ik in al mijn copij hardnekkig de namen van de maanden en van de dagen van de week met hoofdletters, maar in de gepubliceerde text is er niets meer van te zien, omdat de correctors van kranten en uitgeverijen ze er even hardnekkig weer uithalen.

Dat leidt tot de vraag in hoeverre misschien duizenden naamloze anderen in het verborgene zulke verzetsdaden plegen, zonder dat het ooit aan het licht komt, daarmee de indruk makend van een consensus die in feite niet bestaat. Remco Campert, die ook verknocht is aan sommige hoofdletters, vertelde mij dat hij onlangs in De Volkskrant een zin had geschreven luidend: "Lubbers is Lubbers en de Koningin is de Koningin'; de hoofdletters van Lubbers waren blijven staan maar die van Koningin waren vervangen door kleine letters.

Wie in mijn boeken of artikelen woorden als sex en sexualiteit met ks gespeld ziet, woorden als conclusie (laat staan casserole), met k's inplaats van c's, en woorden als God, Minister, Oostkust, Gymnasium, Zondag of Augustus zonder hoofdletters kan er zeker van zijn dat dat er niet stond. Zo denk ik ze niet en als ik het zo terugzie is het alsof ik het niet zelf geschreven heb. Heden Vrijdag 22 Januari: zo hoort dat in het Nederlands denk ik als ik het opschrijf, zo deed mijn vader het ook en zo deden het de generaties voor hem: wie matigt zich aan mij dat te verbieden? Het geeft mij, net als de x en de c, inderdaad een gevoel van continuïteit met het verleden, van affiniteit met de schrijvers waarmee ik ben opgegroeid en die ik bewonder; maar het heeft ook iets te maken met wat ik beschouw als mijn persoonlijke manier van schrijven - de woorden die ik gebruik of integendeel met geen tang aan wil raken, mijn afkeer van te veel komma's en uitroeptekens: niets dat mij zo razend maakt als wanneer die worden toegevoegd door zo'n doctorandus die niet weet wat het woord kerstenen betekent, zoals zij er blindelings het van maken wanneer ik hier of daar 't heb gebruikt (anders van atmosfeer) en woorden toevoegen omdat zij elliptische zinsconstructies niet begrijpen. Het is iets als de manier waarop ik mijn jas aantrek of de houding waarin ik slaap; iedereen mag er van denken wat hij wil maar zo doe ik het nu eenmaal.

Systeem

Zo sta ik ook tegenover de spelling; een systeem moet er zijn maar voor de rest denk ik er ongeveer over zoals Queneau. Die tolerantie geldt dus de persoon, niet het systeem: de regels daarvan dienen niet te worden veranderd. De spelling van het Nederlands is niet moeilijk, maar dat is bijkomstig; het zijn de voortdurende veranderingen die de ravages hebben veroorzaakt.

En het is niet afgelopen, zoals Molewijk waarschuwt. Zo blijkt opnieuw dat Nederlandse kinderen minder goed lezen dan hun buitenlandse leeftijdsgenoten: "Begrijpend lezen van achtjarigen blijft onder gewenst niveau,' luidde nog onlangs een kop in deze krant (29-12-92); "Negenjarige scholieren lopen met hun leesprestaties een jaar achter op hun leeftijdgenootjes in Finland, Noorwegen en Zweden', aldus W & O van 7 Januari. Nieuwe Commissies zullen dit verschijnsel "bestuderen' en in die Commissies hebben dezelfde onuitroeibare knutselaars weer zitting. Molewijk heeft er het definitieve boek over geschreven, hij heeft de kleinste details onder de loupe ("loep') genomen, geen argument onweersproken gelaten en zijn conclusie is vernietigend; dan moet het ook afgelopen zijn. Geen spellingsveranderingen meer. Ze zijn zinloos, hebben geen enkel aanwijsbaar positief resultaat opgeleverd, maar wel aanwijsbare nadelen.

Intussen ben ik alweer voor een nieuw Dictee uitgenodigd: "Het groot dictee der Nederlandse taal maakt school', zo begint de brief. "Groter wordt de groep belangstellenden die de kennis van de spelling van de Nederlandse taal, in spelvorm, getoetst wil zien'. Maar er wordt helemaal niets getoetst, "in spelvorm' of anderszins. Laten we toch ophouden met die flauwekul. In de kasserol ermee. Philip Freriks, blaas het af. Kees Fens, als U geen studenten in de collegebanken wilt hebben die niet weten wat het woord kerstenen betekent, leent U zich dan niet tot deze misleidende vertoningen. Het komt allemaal in de plaats voor wat er zou moeten gebeuren: kleinere klassen, meer en beter betaalde leraren, strengere eisen en opsluiting van spellingsverbeteraars in zonnige klinieken.