"Studeerbaarheid' als norm voor het hoger onderwijs; Flexibel, individueel, creatief

Minister Ritzen stemde vorige week in met een voorstel van de studentenvakbonden om een brede conferentie te houden over de kwaliteit van het hoger onderwijs. "Studeerbaarheid' is het toverwoord in de discussie.

Voor de Landelijke Studentenvakbond (LSVB) is de grens bereikt. Volgens bestuurslid Felipe Salve (22) staat het onderwijs al sinds de invoering van de tweefasenstructuur in het begin van de jaren tachtig onder grote druk. Toen werd de cursusduur beperkt tot vier studiejaren, die binnen zes jaar moeten worden afgerond. Salve: ""Daar is dan de verdere bekorting van de studieduur door de tempobeurs nog eens bijgekomen. Maar de instellingen hebben nog nooit iets wezenlijks gedaan om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. De colleges worden steeds massaler, studenten krijgen individueel nauwelijks aandacht. Op die oude leest gaan de universiteiten maar door. Aanpassingen kosten geld en moeite en daar hebben ze geen zin in.''

De sombere geluiden klonken vorig jaar door in de Tweede Kamer. Het PvdA-kamerlid Netelenbos drong bij Ritzen aan op een rapport over de toestand van het hoger onderwijs na alle bezuinigingen. De minister zette een commissie aan het werk onder voorzitterschap van dr. W.H.F.W. Wijnen, de Maastrichtse hoogleraar in de ontwikkeling en het onderzoek van het hoger onderwijs. Eind vorig jaar bracht deze commissie een advies aan de minister uit met aanbevelingen voor een "studeerbaar' onderwijs.

Wijnen (58), vorige week nog een van de sprekers op het congres "Het onderwijs meester' aan de Rijksuniversiteit Utrecht, meent dat het onderwijs ""in de huidige situatie nauwelijks te doen is. De studenten krijgen veel te weinig begeleiding, van academische vorming komt zo weinig terecht.'' Oorzaak van de kwaal is volgens hem dat het onderzoek nog altijd de hoogste prioriteit heeft aan de universiteiten. ""In het onderwijs kun je bovendien nog steeds geen carrière maken. Het onderwijs is binnen de instellingen sterk verkaveld; er wordt niet gecoördineerd. Docenten geven de colleges zoals ze die zelf hebben gehad. Ze denken: we hebben het altijd zo gedaan dus waarom zouden we iets vernieuwen? Tja, als het bedrijfsleven er ook zo over zou denken, zouden veel meer bedrijven failliet gaan.''

De commissie-Wijnen oordeelde dat de visie op het onderwijs 180 graden moet draaien; het huidige "docentgecentreerde' onderwijsstelsel moet veranderen in een "studentgecentreerd' stelsel. ""Het onderwijs richt zich nog te veel op het overbrengen van kennis. Maar kennis veroudert snel. Het is belangrijker dat je studenten laat oefenen met verschillende methoden van kennisvergaring. Niet de grote collegezaal zou centraal moeten staan in het onderwijs, maar de studeerkamer van de student en de bibliotheek van de universiteit.'' Wijnen ziet dan ook bijvoorbeeld weinig heil in de met tentamenrondes afgewisselde strakke collegeperiodes die de universiteiten nu organiseren.

Belemmerende colleges

Het onderwijs moet "studeerbaar' worden, is de nieuwe leus. Maar wat is dat? Wijnen suggereert een definitie: ""Het wil zeggen dat er geen duidelijke belemmeringen moeten zijn in de afstemming van het studieprogramma op de aanleg, voorkennis, leervermogen, interesse en eigen doelen van studenten. Er moet ook rekening worden gehouden met de externe druk waaraan studenten blootstaan.'' Ook colleges kunnen een belemmerende factor zijn, vindt Wijnen. ""De docent moet de student de ruimte geven de stof te verwerken, anders houdt hij hem als het ware van het werk.''

In de huidige onderwijsprogramma's draait het nog te veel om de docent die een college volpraat en daarmee de studenten reduceert tot passieve toehoorders, vindt de hoogleraar. Volgens hem zou de vraag van de studenten centraal moeten staan en zouden ze met flexibele, individuele studieprogramma's de kans moeten krijgen nieuwe terreinen te verkennen.

Om die nieuwe opzet zoveel mogelijk te bevorderen stelde zijn commissie een "checklist' samen van maar liefst 83 aanbevelingen voor het onderwijs. Het aantal hoorcolleges moet worden beperkt en in plaats daarvan moeten docent en student vaker in kleinere groepen samenwerken. Er zouden meer gevarieerde leermiddelen moeten worden gebruikt, zoals televisie en video. Bij de beoordeling van docenten moeten hun onderwijsprestaties evenzeer worden gewaardeerd als hun onderzoekswerk. Studenten moeten op hun beurt meer worden betrokken bij het beoordelen van toetsen; vindt een meerderheid die niet betrouwbaar of eerlijk, dan moet de toets worden aangepast. Om te voorkomen dat studenten afhaken zouden ze in mentorgroepen met elkaar over de stof moeten praten.

Hoe nieuw zijn deze aanbevelingen? Al in de jaren zeventig werd gesproken over het bijbrengen van een "zelfstandige, kritische en creatieve' houding van studenten, waardoor ze "alternatieven' voor bestaande situaties zouden kunnen bedenken, nu worden andere termen gebruikt. In het rapport wordt gesproken van een ""interactie tussen docent en student die erop gericht is dat de student - in toenemende mate - zelf initiatieven neemt en verantwoordelijk wordt voor het eigen leren. Het maken van fouten moet niet per se worden voorkomen, maar vraagt wel tijdige correctie''. En: ""alle werkvormen activeren en inspireren de studenten zodanig dat voldoende, gerichte zelfstudie wordt uitgelokt''.

Moderne visie

Wijnen erkent dat veel aanbevelingen van zijn commissie niet nieuw zijn. ""De traditionele opvatting van kennisoverdracht door de docent zal altijd blijven staan tegenover mijn visie van zelfstandige kennisverwerving door de student. Maar we kunnen die modernere visie wel steeds beter onderbouwen. Veertig jaar geleden gold het behaviorisme als norm - men ging uit van een prikkel, die een respons tot gevolg had: de docent vertelde zijn verhaal en de student absorbeerde dat. Inmiddels weten we uit de cognitieve psychologie dat niet alleen een prikkel iets teweegbrengt, maar dat ook de wil van de student een belangrijke rol speelt. Een student bepaalt zijn eigen strategie voor de toekomst. Deze wetenschap zou tot aanpassing van de onderwijsprogramma's moeten leiden.''

De medische faculteit in Maastricht brengt het "studentgecentreerde onderwijs" in de praktijk, zegt Wijnen. ""Het is financieel mogelijk en zelfs binnen de normen die het departement stelt. Want ook bij de medische faculteit in Maastricht gaat er nog altijd meer geld naar onderzoek dan naar onderwijs, terwijl de normen van het ministerie een gunstiger verhouding voor het onderwijs voorschrijven. Die situatie bestaat overigens in heel Nederland.''

Wijnen is voorzichtig optimistisch over de haalbaarheid van de nieuwe rollen voor docent en student aan de andere universiteiten. ""Maar het zal langzaam gaan. Ik maak niet meer mee dat mijn studentgecentreerde visie op grote schaal in het hoger onderwijs zal worden toegepast'', zegt de hoogleraar. ""Er is namelijk wel een drastische verandering bij sommige docenten nodig. Sommige docenten kunnen er slecht tegen als ze studenten fouten zien maken. Maar docenten moeten leren dat ze de analyse moeten waarderen en niet in de eerste plaats de uitkomst. Ze zouden zich beter moeten realiseren dat ze bezig zijn met de toekomst van een ander en daar past een bescheiden houding bij. Dat vind ik ook een wetenschappelijke opvatting.''

Scherpere afspraken

Minister Ritzen onderschrijft de eis van studenten dat het hoger onderwijs studeerbaar moet zijn, laat een woordvoerder weten. Hij heeft de universiteiten gevraagd om een voortvarende aanpak: de instellingen moeten een actieplan opstellen met "adequate voorstellen' gericht op het in praktijk brengen van de adviezen van de commissie-Wijnen. Ritzen verwacht veel van dit actieplan. De woordvoerder van het ministerie: ""Maar de minister erkent ook dat het opstellen van de onderwijsprogramma's een taak van de instellingen is. Het is niet nodig de aanbevelingen van de commissie-Wijnen tot wet te verheffen. De minister heeft wel uitgesproken dat de visitatiecommissies uitdrukkelijk moeten nagaan of de aanbevelingen van Wijnen worden geïmplementeerd en dat er scherpere afspraken moeten komen over de gevolgen van de kritiek van de visitatiecommissies. Op die manier kan de studeerbaarheid ook worden beïnvloed.''

Een woordvoerder van de Vereniging van Samenwerkende Universiteiten (VSNU) tekent daarbij aan dat een actieplan ""eigenlijk overbodig'' is, omdat de faculteiten al veel doen aan het vergroten van de "studeerbaarheid'. ""De VSNU wil bovendien niets dwingend voorschrijven'', aldus deze woordvoerder. Volgens de vereniging doen de grootste problemen zich nog altijd voor bij de technische studies, die niet in vier jaar te doen zouden zijn. Eind deze maand bepaalt het VSNU-bestuur een standpunt over Ritzens verzoek om een actieplan op te stellen.

LSVB-er Salve heeft weinig vertrouwen in de rol van het ministerie bij de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. ""Ritzen laat op verzoek van de Tweede Kamer dan wel zo'n rapport schrijven en de kwaliteitsverbetering staat hoog in zijn vaandel, maar hij houdt de boot af als het om concrete besluiten gaat. Hij vindt het een zaak tussen de instellingen en de studenten. Maar dat is een beetje flauw, want tegelijkertijd legt hij ons wel allerlei verplichtingen op om sneller te studeren. Van de Tweede Kamer kunnen we ook weinig steun verwachten, want die vindt dat de instellingen autonomer moeten worden. We zullen de strijd voor een studeerbaar hoger onderwijs zelf per universiteit moeten voeren.''

Hoewel Salve ""redelijk tevreden'' is over het rapport, ziet hij een belangrijke beperking in het feit dat de commissie-Wijnen de huidige cursusduur van vier jaar als gegeven moest beschouwen. ""Die is in een aantal gevallen echt te kort. Maar het rapport wordt wel een van de uitgangspunten bij de brede conferentie. De winst is dat een aantal normen zeer concreet is uitgewerkt. Niet eerder ging een commissie zo ver. De 83 aanbevelingen zouden gewoon bij alle instellingen toegepast moeten worden.''