Welvaart

Het oudejaars hoofdartikel eindigt met een passende negatieve constatering: “Onder druk van de tegenvallende welvaartsgroei is de overlegeconomie van de drie sociale partners weer aanmerkelijk in aanzien gestegen. Dit door en door Nederlandse verschijnsel doet geen recht aan de nationale belangen op langere termijn.”

De vraag is of dit wel zo is. Gaat het bij deze pogingen tot eendracht inderdaad om een door en door Nederlands verschijnsel? De spreuk "Eendracht maakt macht, tweedracht breekt kracht', heeft heel onze geschiedenis door stellig een grote rol gespeeld. Overal komt men haar weer tegen. En onze nationale dichter Vondel vertolkte haar lyrisch: “De heilige eendracht is het zout / dat huis en stad in wezen houdt.” Maar de oorsprong ervan gaat heel wat verder terug. Die ligt bij de Romeinse geschiedschrijver Sallustius (86-35 v.Chr.). In zijn Bellum Iugurthinum schreef hij de later ook hier te lande vaak geciteerde spreuk "Concordia parvae res crescunt, discordia maximae dilabuntur'. En om nog verder terug te gaan: ook Homerus liet zich in zijn Ilias (13/237) in deze zin uit. Dit wijst erop dat de roep om eendracht en overeenstemming, die inderdaad het duidelijkst klinkt in moeilijke tijden, niet alleen maar zo'n stom Nederlands verzinsel is, maar iets waar ieder die er even over nadenkt, ja tegen moet zeggen.

En dan is er de opmerking dat “dit door en door Nederlands verschijnsel geen recht doet aan de nationale belangen op langere termijn”. Wanneer heel ons bestaan en onze welvaart nog geen voldoende bewijzen zijn van het tegendeel, is het aardig even terug te denken aan de armoe-periode vlak na de Tweede Wereldoorlog en te kijken naar wat de Stichting van de Arbeid toen in samenspraak met de overheid wist te bereiken. Hoe men toen aankeek tegen de wederopbouw spreekt duidelijk uit de brief ter introductie van het openingsnummer van het tijdschrift Bouw (oct. 1945), centraal weekblad voor het bouwwezen. “Overheid en bedrijfsleven, werkgevers en werknemers, architecten en ambachtslieden, deskundigen op het gebied van de volkshuisvesting en stedebouwkundigen - zij allen ontmoeten elkaar in dit tijdschrift, in de erkenning van de eenheid van het bouwwezen en in het besef, dat men ook hier reeds veel te lang naast elkaar en niet mèt elkaar heeft geleefd.”