Een zingbare klinker graag; Willem Pijper, Simon Vestdijk en de opera Merlijn

De componist Willem Pijper vroeg de schrijver Simon Vestdijk in 1938 om een libretto voor de opera Merlijn. Pijper was een buitensporig lastige klant. "Arthur's liev'ling Mordret', schreef Vestdijk. "Arthur's bastaard, Mordret', maakte Pijper ervan. De brieven van Pijper en Vestdijk zijn nu, samen met de verschillende versies van de tekst, gepubliceerd.

Simon Vestdijk en Willem Pijper: Merlijn. Het ontstaan van een opera in brieven en documenten. Verzorgd door Arthur van Dijk en Mieke Vestdijk. Uitg. Nijgh en Van Ditmar, 296 blz. Prijs ƒ 59,50.

In de opera woedt nu al zo'n vier eeuwen - zo lang bestaat het genre - een machtsstrijd tussen woord en muziek. Volgens de pleitbezorgers van de tekst is het woord de drager van de dramatische ontwikkeling en trekt veel operamuziek zich daar te weinig van aan. De voorvechters van onderschikking van de tekst betogen dat het drama zich in de muziek afspeelt, en de tekst slechts tot taak heeft het te articuleren of te preciseren. Misschien zal iedereen het eens zijn met deze formulering: in de opera hebben woord en muziek beide tot taak de handeling en de gedachten en emoties van de personages zo duidelijk mogelijk uit te beelden of uit te drukken.

Die duidelijkheid is het probleem. Een toneeltekst moet al sneller te doorgronden zijn dan een gedicht, maar een gewiekst acteur kan dichterlijke en van gedachten zwangere regels zo spreken dat de toeschouwer hem toch kan volgen. De zanger daarentegen is door de ritmen en toonhoogten van de componist gekruisigd aan de notenbalken. Aan een operatekst moeten daarom andere eisen worden gesteld dan aan een toneeltekst of een gedicht. In een opera moet de tekst eenvoudig en concreet zijn, en dat zijn de libretti van een Mozart of Verdi dan ook.

Sinds Wagner, die zijn eigen tekstdichter was, hebben de meeste componisten op zijn minst lippendienst bewezen aan het ideaal van de gelijkwaardigheid van muziek en woord. In onze eeuw zijn er veel voorbeelden van intensieve samenwerking tussen componist en dichter (Strauss/von Holmannsthall), van componisten die, Wagners voetsporen drukkend, hun eigen tekst maakten (Hindemiths Mathis der Mahler) en van opera's waarvan de tekst geheel of grotendeels identiek is met die van een bestaand toneelstuk (Pelléas et Mélisande, Salome, Wozzeck). Een tekstdichter wordt ook niet meer, zoals Mozarts Da Ponte of Verdi's Bolto, "librettist' genoemd.

Toch blijft de samenwerking tussen de zogenaamd gelijkwaardige partners (in de praktijk doet de componist toch altijd waar hij zin in heeft) een bron van conflicten. De twee muziekdramatische verrichtingen van Willem Pijper bewijzen het. Voor zijn eersteling Halewijn (1933) had hij Martinus Nijhoff bereid gevonden de tekst te leveren, maar toen Pijper, tot in zijn necrologieën gekenschetst als een lastig man, zich met de kleinste details van de versificatie bleek te gaan bemoeien, trok Nijhoff zich terug. Hoe dat gegaan zal zijn wordt duidelijk uit de interessante verzameling documenten en brieven die nu is verschenen over de in 1938 begonnen samenwerking van Pijper met een andere literator: Simon Vestdijk. Op voorstel van Pijper gingen ze werken aan een opera over Merlijn, de tovenaar aan het hof van de legendarische koning Arthur.

Vijfpooteischer

Het bleef ditmaal bij vriendschappelijk gekrakeel, wat ongetwijfeld niet daaraan is te danken dat Pijper een mak lammetje was geworden. Hij noemt zichzelf een "buitensporig lastige klant in je rijmwinkel' en een "vijfpooteischer'. De lezer van de briefwisseling tussen hem en Vestdijk kan het slechts beamen. Vestdijks engelengeduld kwam misschien voort uit zijn intense liefde voor de muziek, die hij zelfs boven zijn eigen muze stelde. Bovendien kostte de produktie van steeds weer nieuwe dichtregels hem weinig zweetdruppels. Aan het einde van de oorlog moest hij door gebrek aan brandstof in de huiskamer werken, waar hij geen romans "maar wel poëzie kon plegen, en [ik] raakte toen weer in de bekende sleur van iedere dag minstens 50 regels aan sonnetten en dgl.'

Wie bij wijze van sleur per dag zo'n vier stuks van een notoir lastige dichtvorm neerpent maalt er niet om als hij regelmatig een paar verzen moet herzien. De verhouding tussen de twee heren wordt dan ook nooit kribbig, maar ontwikkelt zich juist van onpersoonlijke beleefdheid tot hartelijke vriendschap.

Pijpers eisen betroffen zowel de dramaturgie en de karakterisering der personages, als puur poëticale zaken: een ander woord, een beter zingbare klinker, een minder abstracte formulering. Als je het gedicht van Vestdijk in een van de hier afgedrukte versies leest vraag je je herhaaldelijk af: moet dt gezongen worden? Men sympathiseert met wat Vestdijk de spookkoning Uter Pendragon in de mond legt: “Ik ben maar half gesticht, ze praten als in een gedicht”.

Vestdijk mocht dan geduldig naar Pijpers pijpen dansen, hij kon zijn eigen stiel niet ontrouw worden. Hij streefde naar een tekst die niet alleen als libretto kon dienen, maar ook als zelfstandig gedicht kon worden gepubliceerd. In 1939 lag de tekst zelfs al voorzien van een inleiding bij een uitgever; dat de tekst pas in 1957 in herziene vorm is gepubliceerd was een gevolg van Pijpers grote bezwaren tegen publikatie zolang de partituur niet af was.

Vestdijks tekst, in de versie van 1939 of in die van 1957 is dan ook een (goed of slecht) gedicht, geen theatertekst, en al helemaal geen zingbare tekst. Het verbaast dus niet dat de uiteindelijk door Pijper gebruikte tekst aanmerkelijk verschilt van de twee versies die Vestdijk voor afzonderlijke publikatie had bestemd, en ik vraag me af of ook de operaversie niet nog te veel gedicht en te weinig libretto is. Het volgende voorbeeld illustreert hoe Pijper ingreep en hoe het resultaat nog altijd niet lekker bekt. Vestdijk: “Arthur's liev'ling Mordret,/ Daar buiten de kring, zal geen een kwaad hart toedragen.” Dit zondigt tegen een van de geboden voor de librettist: "een zin zult gij niet beginnen met een lijdend of meewerkend voorwerp'. Geen wonder dat, naast andere wijzigingen, in de operatekst het onderwerp voorop komt: “Arthur's bastaard, Mordret,/ Hijzelf is het, die zich tegen zijn afkomst verzet.”

Samen met de begeleidende teksten geeft de briefwisseling uitputtend uitsluitsel over de samenwerking tussen de tekstdichter en componist. Het is een gecompliceerd boek geworden, dat zich niet goed in de gewone volgorde laat lezen. Het is beter de lectuur van de brieven te laten voorafgaan door het lezen van een van de drie afgedrukte tekstversies van Merlijn en van de twee inleidingen van Vestdijk.

Astrologie

De ontelbare astrologische verwijzingen in de brieven kunnen worden overgeslagen, want niet alleen zijn ze voor niet-astrologen onbegrijpelijk, het astrologische stramien dat aan Merlijn ten grondslag ligt is van geen enkel belang voor het begrip van de tekst (evenmin trouwens voor de muziek). Hoe ik dat weet? In de eerste plaats uit eigen ervaring, dat wil zeggen na de lectuur van dit boek, en in de tweede plaats van Vestdijk zelf, die in een van zijn inleidingen schrijft dat de astrologie niet meer is geweest "dan de kruk, weg te werpen na verleende diensten'.

Pijper, die in tegenstelling tot Vestdijk tijdens deze samenwerking nog een gelovig astroloog was, schrijft weliswaar in zijn "Kanttekeningen bij Merlijn' dat de dierenriem "voor den componist van den Merlijn waarschijnlijk van ingrijpender beteekenis [was] dan voor den librettist' (o.a. vanwege een parallellisme dat hij bespeurt tussen de dierenriem en de kwintencirkel), maar uit die kanttekeningen blijkt dat de meeste astrologische verwijzingen in de muziek zo verborgen zijn dat ook het muzikaal en astrologisch meest geschoolde oor ze onmogelijk kan ontwaren. Afgezien dan van een enkel detail zoals het gebruik van de muzikale kreeft (een motief van achteren naar voren) in een episode die door de componist met het zodiakteken Kreeft in verband wordt gebracht. Wat dit laatste voor hem betekende kan ik niet navoelen, maar de muzikale betekenis ervan is, lijkt me, nihil.

Aan dit voorbeeld laat zich mooi het verschil demonstreren tussen muzikaal zinvolle en zinloze symboliek. Diezelfde muzikale kreeftengang verwijst namelijk ook naar een element in de handeling: de tovenaar Merlijn toont de fee Fiviane beelden van wat zich op grote afstand aan het hof van Arthur afspeelt, daarna beelden uit het verleden, en ten slotte weer beelden uit een nabijere tijd. Bij de laatste overgang zingt hij: “Thans keer ik den tijd om”, waarna eerder gehoorde motieven "in de kreeft gaan'. Overigens is ook dit alleen waar te nemen voor wie goede oren heeft en muzikaal heeft doorgeleerd.

Onhoorbaarheden

De astrologie is, zo blijkt uit Pijpers "Kanttekeningen', maar een van de bronnen van die onhoorbare symboliek waarop vele componisten sinds de Middeleeuwen dol zijn geweest. Het zijn meest knipogen van de componist naar zichzelf. Wie de "Kanttekeningen' leest (enige muzikale scholing heeft men daarbij wel nodig) moet constateren: als Pijper ons dit alles niet zelf had onthuld zou ook de scherpzinnigste analyticus het meeste niet hebben gevonden, nog in geen twaalf sabbaticals.

Het baat niet maar schaadt ook niet, zult u zeggen. Ons niet, nee, maar tegen de met aantallen maten en andere onhoorbaarheden goochelende componist zou je na zijn verzuchting "ik vraag mij af, of ik 't stuk voor mijn 50e jaar voltooid zal hebben . . .' willen uitroepen: maak het jezelf dan ook niet onnodig moeilijk. Misschien was Pijper er zonder al dit gereken in geslaagd de opera te voltooien. Hij is niet verder gekomen dan ongeveer de helft. Na de oorlog heeft hij er niet aan kunnen werken, en in 1947 is hij, 53 jaar oud, gestorven.

Misschien heeft het ons dus toch geschaad: wie weet wat voor prachtige opera Merlijn bij voltooiing was geworden. De enkele malen concertant uitgevoerde torso van ruim drie kwartier is muzikaal aantrekkelijk genoeg. Over de theatrale waarde kan op grond van het voltooide deel niemand oordelen.

Wat we verder aan het lange zwoegen danken is dit fascinerende, zorgvuldig bezorgde boek, waarop alleen is aan te merken dat de inleiding van Arthur van Dijk en Mieke Vestdijk wonderlijk houterig is geschreven.