Zondagsrust

Op zondagochtend lopen we dikwijls langs de Oude Rijn, door het Bredius, achterom het zwembad en de begraafplaats en dan hetzij via de Nieuwendijk naar de stad om de etalage van de boekwinkel te controleren, hetzij via het Karekietlaantje terug naar het Bredius, naar huis.

Gisteren passeerde ik dit punt terwijl Rekel werd opgehouden door de geur van een teefje. Zonder nadenken, of juist met een teveel daarvan, koos ik voor het Karekietlaantje. Aan het eind bleef ik staan wachten. De hond kwam niet. Ik riep, ik floot op mijn vingers, maar hij kwam niet. Ik verstoorde de zondagsrust met een vloek (ik geloof niet in God, heb dus niets te vrezen) en begon terug te lopen.

Hij bereikte net het pleintje voor de poort van de begraafplaats. Hij kwam duidelijk terug van de Nieuwendijk.

Ten eerste: de aanblik van een radeloze hond, in dit geval je eigen hond.

Ten tweede: die was op z'n eentje de Nieuwendijk afgedraafd, die had op een gegeven moment begrepen: nee, zover kan hij nog niet zijn, ik moet terug naar de plek waar ik hem ben kwijtgeraakt - wat wil zeggen dat hij bij zichzelf een rekensommetje had gemaakt in meters en minuten.

Dit voorval denk ik voortaan te gebruiken om de bewering te weerleggen dat honden geen besef hebben van het verstrijken van tijd.