Geen Nederlands geld voor film Kinderjaren

AMSTERDAM, 28 NOV. De in 1978 verschenen Nederlandse novelle Kinderjaren, waarin Jona Oberski (1938) onopgesmukt verslag doet van zijn ervaringen in Westerbork en Bergen-Belsen, heeft een triomftocht over de wereld gemaakt. Het boekje werd in zestien landen uitgegeven en ontlokte beroemde collega's uitspraken als “het boek van deze verdomde eeuw” (Allan Sillitoe), “irrationeel, maar werkelijk waar” (Heinrich Böll) en “een boek dat elke lezer met een hart schokken zal” (Isaac Singer).

Dit najaar werd Kinderjaren ook verfilmd als een Italiaans-Frans-Hongaarse coproduktie met een budget van ruim acht miljoen gulden. Volgens de Italiaanse producente Elda Ferri, die afgelopen week in gezelschap van regisseur Roberto Faenza en hoofdrolspelers Jean-Hugues Anglade en de achtjarige Jenner del Vecchio Amsterdam bezocht in verband met een documentaire van de RAI over Oberski en de film, zijn er verschillende pogingen in het werk gesteld om ook een Nederlandse filmproducent voor het project te interesseren: “Omdat we geld hadden ontvangen van het Europese coproduktiefonds Eurimages, moesten er producenten uit minstens drie landen participeren. We hebben meerdere Nederlandse producenten met het scenario benaderd, maar niemand antwoordde. Uiteindelijk vonden we de Amsterdamse produktiemaatschappij Ciné-Té bereid, maar die moest van deelname afzien, omdat de Nederlandse subsidie geweigerd werd”. Een dergelijke beslissing lijkt in overeenstemming te zijn met het beleid van het Productiefonds, dat onder voorzitterschap van Jan Blokker hoge eisen stelt aan het Nederlandse gehalte van Europese coprodukties. Kennelijk was de origine van de schrijver van de oorspronkelijke novelle niet genoeg overtuigend.

De relatief onbekende regisseur Faenza benadrukte op een persconferentie, dat Kinderjaren niet weer een film over de Tweede Wereldoorlog wordt: “In mijn visie vertelt de film een universeel verhaal over een jongetje, een vader en een moeder. Het kind raakt verzeild in een onbegrijpelijke wereld en heeft als enige impuls de hel te overleven. Hetzelfde zou zich ook nu kunnen afspelen, in Bosnië bij voorbeeld”. Oberski heeft het door Faenza geschreven scenario zelf niet gelezen en ook de opnamen niet bij willen wonen. Hij houdt zo veel mogelijk afstand van de verfilming: “Ik heb lang geaarzeld of ik wel toestemming wilde geven tot een verfilming, mede onder invloed van wat er met Het bittere kruid van Marga Minco gebeurd is. Nadat ik die knoop eenmaal had doorgehakt, wilde ik me er zo min mogelijk mee bemoeien. Het is hun film en ik zal het wel zien als het klaar is”.

Afgezien van enkele buitenopnamen in Amsterdam, is de hele film in Bulgarije gedraaid, wegens de beschikbaarheid van vijfduizend goedkope en in uiterlijk opzicht aan de eisen van het verhaal voldoende figuranten. Die kosten daar slechts vijf dollar per dag en in Italië bij voorbeeld het twintigvoudige. Ook kamp Westerbork is zorgvuldig nagebouwd in een Bulgaars dorpje. De dialogen van de film, die als werktitel Childhood of Anni dell'infanzia draagt, zijn grotendeels Engels gesproken. Alleen de Duitse personages spreken hun eigen taal.

Gevraagd naar zijn mening over de uitspraak van Faenza, dat het verhaal zich ook nu af zou kunnen spelen, zegt Oberski: “Eigenlijk deel ik meer de mening van Judith Herzberg, dat een film universeler geldig wordt, naarmate het verhaal specifieker verteld is. Maar we zullen het wel afwachten”. Een van de eerste toeschouwers van de ongemonteerde opnamen had er in ieder geval geen moeite mee. Volgens Faenza zat componist Ennio Morricone tien minuten met tranen in de ogen, nadat hem de beelden - van de beroemde Hongaarse cameraman Janos Kende - vertoond waren om er muziek bij te schrijven.