Duitse politiek heeft rechts-extremisme onderschat

Met het verbod van het "Nationalistische Front' (NF) afgelopen vrijdag heeft de regering van de Bondsrepubliek volgens een toelichting van minister van Binnenlandse Zaken Seiters (CDU) een niet mis te verstaan signaal willen geven aan de steeds gewelddadiger rechts-extremisten. De maatregel van Seiters volgde enkele uren na de rouwplechtigheid voor een Turkse vrouw en twee Turkse meisjes die in Mölln bij een aanslag zijn omgekomen. Eerder vorige week debatteerde de Bondsdag over de politieke consequenties van deze aanslag. Daarbij kwam de vraag aan de orde of de Duitse politiek en justitie het rechts-extremistische gevaar hebben onderschat.

Bondskanselier Kohl is in dit opzicht vorige week zwaar gekritiseerd door de Duitse pers. Hij gaf tijdens het parlementsdebat indirect een bevestiging van de onderschatting van de politieke reikwijdte van de aanslag in Mölln door deze te reduceren tot “een uitermate ernstig voorbeeld van de toename van geweld”. Volgens de Süddeutsche Zeitung was deze uitspraak een voorbeeld van een poging het rechtsradicale geweld te ontdoen van zijn specifiek gevaarlijke dimensie: zo'n benadering komt erop neer dat de misdaden van de neo-nazi's slechts onderdeel zijn van een algemene criminele trend.

In het Duitse parlement en daarbuiten is er voorafgaande aan het verbod van het NF, een 130 leden tellende neo-nazi-groepering, op gewezen dat de Duitse overheid met twee maten heeft gemeten bij de behandeling van delicten met een politieke achtergrond. De aanslagen van de links-extremistische RAF in de jaren zeventig en tachtig leidden tot ongekende klopjachten, de organisatie werd verboden, leiders en leden vervolgd en tot zware straffen veroordeeld, sympathisanten of vermeende sympathisanten werden het slachtoffer van criminalisering. Het zou kunnen dat de kritiek op de dubbele standaard doel heeft getroffen en dat het verbod van het NF een eerste correctie is. Tot dusver is bijzondere mildheid betracht bij de vervolging en berechting van de rechts-extremistische geweldplegers. Volstaan is tot nu toe met de berechting van meelopers die - vallend onder het jeugdrecht - minimale straffen kregen. In geval van moord is de neo-nazi's "mishandeling de dood tot gevolg hebbende' ten laste gelegd en waar het ging om poging tot moord werden ze veroordeeld wegens brandstichting of vernieling.

Tegen het verbod van neo-nazistische en racistische groeperingen wordt vaak het argument gehanteerd dat de werkelijke toestand in de samenleving dan op kunstmatige wijze aan het oog wordt onttrokken. Het zou de bestrijding van de terreur niet ten goede komen, omdat de bedrijvers ervan ondergronds gaan. Daar staat tegenover dat - zoals minister Seiters de eerste verbodsactie vrijdag beargumenteerde - er een duidelijke signaalwerking van een verbod uitgaat. Een dergelijk signaal is niet alleen gericht tot de (potentiële) terroristen die dan beter kunnen worden geïsoleerd, maar ook tot hun slachtoffers die zich beschermd moeten weten doordat de overheid haar geweldsmonopolie krachtiger handhaaft. En niet in de laatste plaats tot het buitenland, omdat, zoals Seiters verklaarde, de aanvallen tegen buitenlanders “het aanzien van Duitsland in de wereld schaden”.

Het verbod van rechtsradicale groeperingen moet uitwijzen dat de Duitse overheid het racistische geweld hoog opneemt. Daaraan werd de afgelopen weken twijfel uitgesproken, zowel in de Bondsdag als in het buitenland waar Bonn met een zekere angstvalligheid naar kijkt. De Londense Times schreef naar aanleiding van Mölln dat de Duitse regering “het gestaag toenemen van rechts-extremistisch geweld, politiek extremisme en zelfs antisemitisme met bijna onbegrijpelijke verlamming heeft gadegeslagen. (...) Pas nu zoekt de regering naar ondubbelzinnige bewijzen dat dergelijk georganiseerd geweld een bedreiging vormt voor de Duitse democratie, even dodelijk als de Rote Armee Fraktion en andere extreem-linkse groepen”.

De grote demonstratie tegen vreemdelingenhaat van 8 november in Berlijn, waaraan Kohl meedeed en waar president Von Weizsäcker het woord voerde, was een blijk van solidariteit met de in Duitsland wonende minderheden, maar vormde geen afdoende waarschuwing aan het adres van extreemrechts. “Nu moet er tegen de staat gedemonstreerd worden om harde maatregelen tegen het rechts-extremisme af te dwingen”, aldus de voorzitter van de joodse gemeenschap in Duitsland, Bubis. Zolang harde maatregelen uitblijven, zijn politiek en justitie volgens hem medeschuldig. Simon Wiesenthal van het joodse informatiecentrun in Wenen sprak zich naar aanleiding van Mölln uit voor een “zo spoedig mogelijk verbod van rechtsradicale groepen in Duitsland”.

De pressie op Bonn om signalen te geven die een afschrikwekkende werking hebben, zoals een verbod op neo-nazistische organisaties en strenge straffen op geweld tegen buitenlanders, is mede ingegeven door de kritiek dat de Duitse politiek zelf met het asieldebat een klimaat heeft gecreëerd waarin de vreemdelingenhaat kan gedijen.

In de media wordt er op gewezen hoezeer de "toon' waarop de politieke discussie over immigratie wordt gevoerd heeft bijgedragen tot het escaleren van vreemdelingenhaat. Zo stak de Kölnische Zeitung de hand in eigen boezem: “Hebben wij hetzerige leuzen gehoord en ze niet weersproken? Zijn we zorgvuldig omgegaan met onze woordkeuze? Hebben we geholpen vooroordelen weg te nemen?” En het blad Kieler Nachrichten schreef:“ Nu moet het uit zijn. Uit zijn met het gejammer over onbegrensde stromen asielzoekers, asielmisbruik of verhalen over wooncontainers waarin "buitenlanders' zijn ondergebracht. Te lang hebben we allemaal toegekeken hoe, onder de dekmantel van de asieldiscussie, de nieuwe bruinhemden dromen van een machtsovername.” In deze trant waarschuwde ook FDP-woordvoerder voor binnenlandse zaken Hirsch dat “bewuste en onbewuste dramatisering van het immigratievraagstuk vreemdelingenhaat zaait”.

Over het giftige politieke klimaat dat is ontstaan als gevolg van de manier waarop alle Duitse politieke partijen met het asielvraagstuk zijn omgesprongen hield de schrijver Günter Grass twee dagen voor de moordaanslag in Mölln een rede in München. “Het zijn niet alleen en niet in de eerste plaats de skinheads die met hun gewelddadige optreden de consensus van de maatschappij doorbreken, veeleer waren dat, toegerust met verbale slagkracht, de politici die sinds jaar en dag het probleem van de immigratie en de nood van vluchtelingen en asielzoekers tot verkiezingsthema hebben verheven. Zij hebben, door het laten varen van beschaafd gedrag, de zich groeperende rechtsradicalen tot gewelddadigheid en moordaanslagen gestimuleerd. Een door minister Seiters met de Roemeense regering overeengekomen uitzettingsprocedure die er, strikt genomen, in voorziet asielzoekende zigeuners te deporteren, alsmede de voortdurende aanslagen op het asielartikel in de grondwet, zijn meer of minder verhulde formuleringen voor het Duitse parool: Ausländer raus”, aldus Grass.

De schrijver sprak de vrees uit dat het politieke midden naar rechts is afgegleden en hij stak daarbij vooral de SPD een hart onder de riem: “als het asielrecht beperkt wordt, zal dat een breuk in de geschiedenis van de Duitse sociaaldemocratie tot gevolg hebben”. En hij concludeerde “Wanneer de huidige ruk naar rechts nog langer als borrelpraat wordt afgedaan en niet als existentiële bedreiging wordt opgevat, dan moeten wij Duitsers onszelf weer als gevaarlijk beschouwen - en wel voordat onze buren ons als een gevaar gaan behandelen.”

Het verbod van het Nationalistische Front kan in deze context worden opgevat als een gebaar dat er geen sprake is van een "historische terugval', zoals Grass dat noemt. Gegeven alle voorafgaande kritiek en druk op de Duitse regering valt echter te betwijfelen of dit gebaar voldoende tegemoet komt aan de eis van een consequent verbod van alle neo-nazi-groepen, een streng optreden tegen openbaar vertoon van nazi-symbolen en bovenal een hard optreden tegen terreurdaden.

De formele demarche die de regering van Israel zondag in Bonn ondernam om de Duitse regering tot meer daden aan te sporen, is er een aanwijzing voor dat met het verbod van een enkele groep de verontrusting in het buitenland over al te laks overheidsoptreden nog niet is weggenomen.