De zin en onzin van het koppelen van bestanden

Fraude, fraudebestrijding, zwart werk: sinds enkele weken vullen deze thema's de opiniepagina's van de dagbladen. Na een tweetal artikelen over de negatieve aspecten van zwart werk van de Heertje en Schöndorff in deze krant, is de "tegenaanval' geopend met een nadruk op een wel erg merkwaardig aspect van deze problematiek. Zowel Godschalk als Van Dijk (17 november), gaan niet zozeer in op de negatieve of positieve rol die zwart werken speelt in het maatschappelijk proces, maar op de negatieve aspecten die aan fraude-bestrijding verbonden zijn. Van Dijk maakt het tamelijk bont door zich in zijn slotalinea af te vragen of de netto opbrengst van fraudebestrijding door koppelen van “pakweg een paar honderd miljoen aan fraude bij de sociale zekerheid en enkele miljarden bij de belastingen” wel opweegt tegen de zijns inziens aanzienlijk verdergaande overheidscontrole die het gevolg zou zijn van de fraudebestrijding door middel van koppelen.

Centraal in het betoog van Van Dijk staat de waarschuwing voor het gevaar van koppelen voor de privacy van de burger, en dan vooral van koppelen ter bestrijding van fraude. Er moeten wat dat betreft twee soorten koppelen worden onderscheiden: enerzijds het routinematig aan elkaar hangen van bestanden teneinde gegevens te combineren, anderzijds het koppelen van bestanden met opsporingsdoeleinden. Ten aanzien van de eerste vorm kunnen er niet veel bezwaren op grond van privacy-argumenten naar voren worden gebracht. Immers, hier is het gebruik van de computer slechts een efficiënt hulpmiddel om menskracht uit te sparen.

Bovendien geldt hier dat er niets nieuws onder de zon is. Al heel lang worden door de belastingdienst de jaaropgaves die men ontvangt voor individuele belastingplichtigen bij elkaar gevoegd. Het enige verschil is dat dat vroeger met de hand gebeurde, terwijl het nu geautomatiseerd geschiedt, waarbij het Sofi-nummer als hulpmiddel voor de koppeling wordt gehanteerd. Weliswaar is het in theorie mogelijk deze gegevens bij elkaar te krijgen door op naam te zoeken, maar het zal duidelijk zijn dat dit bij iemand die bijvoorbeeld Van Dijk heet, een enorme klus zou zijn.

Voor deze vormen van "koppelen' wordt daarom het Sofi-nummer gebruikt. Aangezien dit een uniek nummer is waarvan op grond van onderzoek (Zie het binnenkort bij het Ministerie van Sociale Zaken te verschijnen rapport Studeren met een uitkering) kan worden vastgesteld dat er hoegenaamd geen vervuiling in voorkomt, worden met een eenvoudig programma de juiste gegevens aan elkaar gekoppeld. Op deze wijze zal de belastingdienst in de toekomst jaarlijks overzichten kunnen krijgen van personen die er naast een uitkering wit bij werken, de zogenaamde witte fraude. Het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid beoogt hiermee deze vorm van fraude binnenkort geheel uit te bannen. De praktijk moet uitwijzen of dit ook het geval zal zijn en of het derhalve een efficiënt instrument is, maar in ieder geval kan niet worden beweerd, zoals Van Dijk doet, dat deze vorm van koppelen een nieuwe inbreuk op de privacy betekent.

Dat kan bij andere vormen van koppelen natuurlijk wel het geval zijn. Immers, het gaat om het gebruiken van persoonlijke gegevens van individuen voor doeleinden waarvoor zij deze gegevens niet hebben verschaft. Maar ook hier past een genuanceerd oordeel. Er moet onderscheid worden gemaakt tussen koppelen ten behoeve van het opsporen van individuele gevallen zonder dat er sprake is van een duidelijk en gegrond vermoeden dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf en koppelen om mogelijke overtredingen op te sporen. De door Van Dijk genoemde koppeling van de gegevens van de Rijksdienst voor het wegverkeer aan die van sociale diensten kan dan natuurlijk niet aan de orde zijn. Daarover ben ik het volkomen met Van Dijk eens. Hierbij moet overigens wel worden aangetekend dat op het moment dat die gegronde verdenking er wel is, de sociale recherche en/of de politie zeker over zal gaan tot het opvragen van de desbetreffende gegevens, zonder dat wie dan ook daar ernstig bezwaar tegen zal maken.

Er zijn aan de andere kant ook voorbeelden waarbij koppelen van bestanden wordt gebruikt om overtredingen van de wet- en regelgeving op te sporen die heel dicht in de buurt komen van wat de belastingdienst doet. Is bij de belastingdienst het eerste doel het bij elkaar leggen van alle gegevens die nodig zijn om het belastbaar inkomen vast te stellen, in andere gevallen gaat het om het vaststellen van de juistheid van de door betrokkenen geleverde gegevens en in verband daarmee een controle op de verkregen tegenprestatie. Als voorbeeld kunnen de controles dienen die worden uitgevoerd in het kader van de individuele huursubsidie en de vaststelling van (neven)inkomsten van studerenden die een beurs ontvangen.

In beide gevallen kan een gevolg van het koppelen zijn dat de betrokkene achteraf een deel van het ontvangen geld moet terugbetalen al dan niet aangevuld met een boete. Men moet zich daarbij wel realiseren dat zij getekend hebben voor het naar waarheid invullen van de aanvraagformulieren op grond waarvan zij dat geld ontvangen hebben. Op de keper beschouwd hebben zij zich derhalve schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte en (poging tot) fraude. Voor regelingen die zo afhankelijk zijn van de opgaven van de ontvangers en die bovendien tamelijk fraudegevoelig zijn, biedt het koppelen van bestanden niet alleen een goed instrument om gegevens te controleren en fraudeurs op te sporen. Veel belangrijker is wellicht nog het preventieve effect dat uitgaat van de wetenschap bij de gebruikers dat verkeerde opgaven van inkomsten op eenvoudige wijze kunnen worden opgespoord en dat het daarom niet veel zin heeft om op deze wijze de hand met de wet- en regelgeving te lichten. Deze winst op termijn is zelfs nog groter dan de slechts enkele miljarden aan fraude die als gevolg van het koppelen van bestanden boven tafel komen.

Met een effectief preventiebeleid wordt niet alleen fraude voorkomen, maar verkrijgt de overheid ook weer een deel van haar legitimiteit terug.