De eenvoud van het noodlot

Drie namen zijn opgedoken in het debat over Europa na de val van het communisme: Weimar, München en Auschwitz. Alle drie suggereren een terugkeer van het verdrongene, van de geschiedenis die heeft geleid tot de beschavingsbreuk tussen 1933 en 1945. De episode van het verval van de rechtsstaat in het centrum van Europa die, machteloos gadegeslagen door de rest van het oude continent, de shoah heeft ingeluid, speelt opnieuw door veel hoofden. Weimar, München en Auschwitz - niet noodzakelijk in deze volgorde - zijn de onderhuidse angstvisioenen die de maat van het denken over Europa langzaamaan bepalen.

Voorbeelden van deze gedachtengang zijn er te over. Joseph Joffe van de Süddeutsche Zeitung schrijft over het recente geweld tegen vreemdelingen in het herenigde Duitsland: “Thans beroepen geleerden en journalisten zich op de versleten formule dat Bonn Weimar niet is. Maar: Weimar begon precies zo. Het begon met zelfverdediging en zaalwachten en eindigde met straatgevechten” (de Volkskrant, 26 november) Degenen die het tegendeel beweren, zijn evenzeer gevangen in deze cirkelredenering. Ook zij denken: of Bonn of Weimar - dat het geen van beide meer is, ontgaat hen.

Een ander voorbeeld. Anthony Lewis van The New York Times schrijft over de Westerse aarzeling om tussenbeide te komen in het voormalige Joegoslavië: “Bush is een ware Neville Chamberlain door te weigeren de handschoen op te nemen. Hij aarzelde, conformeerde zich aan Europa dat juist om zijn leiderschap verlegen zat en weigerde op te roepen tot internationale militaire actie, waarvan iedereen weet dat het de enige manier is om de Servische agressie tot staan te brengen” (de Volkskrant, 4 augustus) Dat Milosevic geen enkele territoriale ambitie koestert buiten de oude grenzen van Joegoslavië en dus allerminst met Hitler te vergelijken is, ontsnapt aan de geestdriftige analogie.

Een laatste voorbeeld. Anet Bleich schrijft onder de kop "Nooit meer Auschwitz?' over de gruweldaden in de Servische kampen: “De overeenkomsten met het systeem dat de nazi's in Duitsland hadden uitgedacht ten aanzien van de joden zijn werkelijk verbluffend” (de Volkskrant 14 november). De perversiteit van de "etnische schoonmaak', kan niet op één noemer met de uitroeiing van de Europese joden worden gebracht. Een dergelijke dramatisering slaat niet alleen het gevoel, maar ook het inzicht plat. Verdrijving en moord zijn iets anders dan stelselmatige vernietiging.

Deze verwijzingen naar het verleden zijn heel begrijpelijk. Bij gebrek aan woorden die de huidige situatie kunnen verhelderen, grijpen velen terug op historische analogieën. De gevaren moeten benoemd worden, want machteloos leven met de chaos op onze drempel kan niet. En lopen er dan geen mensen met oude vlaggen, die over oude grenzen spreken?

Toch benemen deze plaatsnamen ons het zicht op wat er werkelijk gebeurt en laten ze bovenal zien hoe groot onze radeloosheid is oog in oog met de kaalslag die een halve eeuw communisme heeft achtergelaten. Het uitgesponnen verhaal over Weimar, München en Auschwitz is vooral een hedendaagse mythe, die veel onthult van de angsten die rondwaren. Vaak vertelt de mythe een verhaal van eeuwige wederkeer. Zo worden de grenzen tussen verleden, heden en toekomst opgelost in een reeks van analogieën. De mythe verschaft een omgangsvorm met een wereld vol onbeheersbaar natuurlijk en menselijk geweld. De verwijzing naar "Weimar-München-Auschwitz' is een middel tot bezwering. Met deze gevarendriehoek wil men de marcherende colonnes cetniks en skinheads die Europa opnieuw dreigen te ontvoeren een halt toeroepen. Het resultaat is vooral een opeenstapeling van geruststellende bewijzen van het tegendeel. Bonn is geen Weimar, London is geen München, Trnopolje is geen Auschwitz, klinkt het monter. Allemaal heel waar, alleen het zegt niets over de gerechtvaardigde angsten die aan dit verhaal vooraf zijn gegaan. De mythe begint immers waar de wanorde daadwerkelijk om zich heen grijpt. En als iets duidelijk is geworden sinds het revolutiejaar 1989 dan is het wel dat alle ontwerpen voor een nieuwe Europese architectuur op drijfzand zijn gebouwd.

Wat de geschiedenis sinds 1989 in ieder geval met zich mee heeft gebracht is het einde van het Europa van de volksopvoeders. Die dachten de eenheid van Europa te boetseren uit de afschuw over de grote burgeroorlog die tussen 1914 en 1945 heeft gewoed. Voor hen stond het ideaal vast en waren ook de economische en culturele motieven die in deze richting dwongen onbetwistbaar. Het kwam er enkel op aan de burger op te voeden tot Europeaan. Het enige echte probleem was een "pedagogisch tekort'.

Dat het gave beeld van eenwording en verbroedering vooral een geloof was dat in de beschutting van de Koude Oorlog floreerde, wordt nu duidelijk. Inmiddels weet niemand meer hoe het Europa zal vergaan, zelfs niet in de nabije toekomst. Duidelijk is wel dat de grote sprong voorwaarts in de afzet dreigt te smoren.

Wie zo kijkt, weet dat spreken over de eenwording van Europa, als zou die Oost en West kunnen omvatten, vooralsnog drie bruggen te ver is. We leven op een aaneengesloten grondgebied, maar in geheel verschillende tijden, omstandigheden en culturen. Dat is een zeer wezenlijk, zelfs beslissend verschil met de vooroorlogse periode. Die ontbrekende samenhang maakt namelijk duidelijk dat de kettingreacties van vóór de oorlog onwaarschijnlijk zijn. Daar komt bij dat er anno 1992 geen enkele natie is die een gewelddadige eenwording van Europa onder haar heerschappij nastreeft.

Van de gevarendriehoek "Weimar-München-Auschwitz' gaat een merkwaardige aantrekkingskracht uit. Pas als men die weerstaat, wordt zichtbaar dat Duitsland kampt met verlate gevolgen van de Tweede Wereldoorlog, nu de economische en morele woestenij van de DDR ten volle is geopenbaard. Dat is heel wat anders dan een terugkeer van omstandigheden of gebeurtenissen die de oorzaken van diezelfde oorlog vormen.

De duik in het zwarte gat van '33-'45 is ingegeven door het verlangen greep op de werkelijkheid te krijgen: zie maar, de geschiedenis herhaalt zich. Sommigen zetten de laatste stap in deze redenering en zoeken het noodlot op. Gisteravond konden we de joodse schrijver Ralph Giordano in het VPRO-programma Lopende Zaken zien. Op een bijna fatale manier ging hij in op de provocatie van de brandbommen en het "Heil Hitler' en riep op tot een soort "noodweer'.

Het lijkt wel alsof Giordano uit angst om in het donker te worden overvallen, in het felle licht van de schijnwerper gaat staan. Die tragische omkering bleek ook uit zijn antwoord op de vraag of hij Duitsland niet wilde verlaten: “dit is een strijd waaruit men niet deserteert”.

Het zijn deze oorlogsmetafoor en de zelfgekozen martelaarsrol van de schrijver die niet kloppen. Wie in dit gedachtenspoor treedt heeft al verloren. Die heeft namelijk zijn vertrouwen in de rechtsstaat opgegeven. Zover wil Giordano nog niet gaan. “Ik laat me geen angst aanjagen”, zei hij, “de would-be Führertjes van nu zijn een scheet vergeleken bij de storm die mijn biografie door elkaar heeft geschud”. Daarom is zijn flirt met gewapende zelfverdediging een onheuse dramatisering, net zoals het bespelen van de oorlogsherinnering afbreuk doet aan het weerwoord op de vreemdelingenhaat die door Europa waart. Daarmee is niets geruststellends gezegd.