CDA koerst aan op "breed internationaal hulpbeleid'; 1,5 procentsnorm vormde twintig jaar hoeksteen van beleid

ARNHEM, 30 NOV. Ex-minister C.P. van Dijk slaakte een zucht van verlichting toen hij zaterdag op de CDA-partijraad hoorde hoe zijn partijgenoten hadden gestemd over de resolutie om de 1,5 procentsnorm voor ontwikkelingshulp los te laten: 114 voor, en 92 tegen. Het CDA is daarmee een nieuwe weg ingeslagen. Maar het kostte het CDA-partijbestuur wel alle moeite om de achterban mee te krijgen van de 1,5 procent van het nationaal inkomen voor ontwikkelingshulp naar een nieuwe norm voor een internationaal hulpbeleid.

Het CDA koerst aan op een "breed hulpbeleid' dat verder gaat dan de manier waarop Nederland tot dusver zijn ontwikkelingshulp heeft georganiseerd. Er is weliswaar een minimum voor de hulp aan de armste landen, maar ook de hulp aan Oost-Europa, humanitaire acties, vredesoperaties en miliebeleid zullen onder de nieuwe opzet vallen. Zowel CDA-fractieleider Brinkman als premier Lubbers gaven aan dat ontwikkelingshulp geen aparte positie meer inneemt, maar dat er “binnen de collectieve sector een afweging moet worden gemaakt”. Als er meer geld voor internationale hulp wordt uitgetrokken, moet dat bedrag elders in de overheidssector worden bespaard. “Ik mis wel eens de vraag hoe dat allemaal moet worden betaald”, aldus Lubbers in zijn slottoespraak. “Want het zijn nu eenmaal de burgers die het samen moeten lappen.” Het CDA wil de nieuwe norm voor het hulpbeleid relateren aan het bruto nationaal produkt (BNP) en vindt dat dit beleidsterrein zou moeten ressorteren onder een staatssecretaris op het ministerie van buitenlandse zaken.

De christen-democraten debatteerden zaterdag op het scherp van de snede over een thema dat bijna de kracht van een geloofsartikel had. Twee visies, twee wereldbeelden, stonden lijnrecht tegenover elkaar. De CDA-top met Brinkman, Van Dijk en de voorzitter van de CDA-commissie buitenland, H. Neuman, moesten de hele ochtend Seelenmassage verrichten om de achterban de 1,5 procentsnorm uit het hoofd te praten. Het viel niet mee, zeker niet bij een norm die twintig jaar de hoeksteen van het beleid vormde. Ze wilden de norm “moderniseren”, omdat de wereld de afgelopen jaren danig was veranderd, en noemden de 1,5 procent een “gatenkaas”. De begroting voor ontwikkelingshulp is “vervuild” met uitgaven die weinig met de arme landen te maken hebben. “Armoede heeft nog altijd onze prioriteit. Maar er zijn nieuwe terreinen bij gekomen zoals Oost-Europa, asielzoekers, milieubeleid”, aldus Brinkman. “De huidige situatie frustreert naar alle kanten.” Neuman vond een heroriëntatie nodig, nadat Nederland met de 1,5 procent als gidsland probeerde te fungeren. “Dat is mislukt. Zelfs de gelijkgezinde Scandinavische landen herzien hun beleid”, zei hij.

Tegenover vaak begrotingstechnische uiteenzettingen van Brinkman, Van Dijk en Neuman waarin ze aangaven hoe het budget is uitgehold, stond een evangelische gedrevenheid van de tegenstanders. De CDA-jongeren (CDJA) en het Vrouwenberaad van de christen-democraten hielden emotioneel vast aan de 1,5 procentsnorm als de eigentijdse vertaling van de Bergrede. Een aantal CDA-Kamerkringen - zoals Leiden - verdedigde de 1,5 procent met een beroep op de bijbel: Mattheus 25, de eeuwige straf voor de onrechtvaardigen na het laatste oordeel. De "puristen' vonden dat de norm van barmhartigheid hoe dan ook moest blijven en ze kregen luid applaus. Het zakelijke verweer van Van Dijk die wees op “misverstanden” sloeg zelden aan.

Rede en emotie botsten in Musis Sacrum op elkaar, het debat leek soms op een gesprek tussen doofstommen. De voorzitter van het CDJA, J. de Vries, vond dat zijn partij geen “oude schoenen mocht weggooien, voordat er nieuwe waren”. Vorig jaar slaagde zijn voorganger in het CDJA, A. Koppejan, erin om de 1,5 procent op een partijraad vast te timmeren. Met de gelijksoortige bevlogenheid profileerde De Vries zich bij de achterban op hetzelfde punt, verbaal gesteund door het CDA-Vrouwenberaad, en moreel door NOVIB-directeur M. van den Berg die de discussie zwijgend bijwoonde.

Enkele Kamerkringen vreesden voor een “afglijdende schaal” als de oude norm zou verdwijnen, terwijl er bij sommige ook twijfel was. Ze vroegen zich af hoe het mogelijk was dat er vaak geen geschikte projecten worden gevonden, en het ministerie moeite heeft om het ontwikkelingsgeld te besteden. “De 1,5 procent is een fictie, want we doen niet wat we zeggen”, aldus J. van Laarhoven van de Kamerkring-Gelderland die vorig jaar nog voor de 1,5 procentsnorm stemde. Hij veranderde van kamp en hielp zo de CDA-top aan zijn krappe meerderheid. “We verstarren ons met de 1,5 procent. We leggen een conservatisme aan de dag dat ons niet past.”