Zielloze overmaatse dozen en lachspiegels (3)

Vijftig jaar na het bombardement van 1940 sleutelen architecten en stedebouwers nog steeds aan Rotterdam, ondanks het wegvallen van "de spanning tussen de stuwing van het leven en de traagheid van den weerstand van de steen' na de kaalslag (C. van Traa, 1946). Wellicht had men bij de wederopbouw meer historische elementen kunnen integreren dan enkel het stadhuis, het Witte huis, de zwaar gereconstrueerde Laurenskerk en een handvol andere gebouwen.

De archituur van de wederopbouw of van de recente hoogbouw boeit me nauwelijks. De Van Brienenoordbrug fascineert meer dan de grappige paalwoningen van Piet Blom. Uren kan ik kijken naar de werkzaamheden bij de nieuwe spoortunnel. De vondsten van archeologen, geïllus- treerd door informatiepanelen langs de afzettingen, gunnen een gefragmenteerde blik op het ware Rotterdam. Verder dan de overkant van de Maas ben ik te voet nooit geweest. Uit de trein richting Dordrecht is De Peperklip van Weeber zichtbaar. Ondanks zijn bekendheid heeft deze woonkazerne me nog niet gelokt; voorlopig heeft het ding te weinig aantrekkingskracht. Het is misschien daarom dat Weeber iets wil met oude binnensteden die grote stromen genieters en bewonderaars trekken. Onwillekeurig dacht ik aan de man die de Nachtwacht bewerkte of degene die "Who's afraid of red, yellow and blue' beschadigde. Waren dit geen gefrustreerde kunstenaars, jaloers op het succes van de ware meesters? Vernieuwing van binnensteden ziet Weeber als iets onafwendbaars, ook al willen "wij' dat in Nederland niet meer.

Waarom lonkt hij naar de locatie van het stadhuis (paleis) op de Dam? Omdat een plan voor de IJ-oevers niet brengt wat we van een stad als Amsterdam verwachten? Het stadhuis was niet gebouwd om "nieuw' te zijn, zoals moderne architectuur door gebruikmaking van revolutionaire materialen en constructies dat expliciet wel is. Het stadhuis representeert de samengebalde macht van een wereldstad op haar hoogtepunt en is een schepping van een architect die zich ondergeschikt maakte aan zijn opdrachtgevers. Ook al was het stadhuis volgens de toenmalige maatstaven groot, het domineert de stad niet zoals menig recent opgerichte mastodont in kernen en randgebieden. God behoede ons voor architecten die modern menen te zijn en een daad willen stellen, niet op een industrieterrein, maar in het volle licht van de historische stadskern.

Deze bouwers voelen zich gehinderd door de "bureaucratie', het wettelijke kader van bestemmingsplannen, de monumentenwet, beschermde stadsgezichten, welstandscommissies en dergelijke. Dit zijn echter legale kaders die instemming genieten van grote bevolkingsgroepen en functioneren bij de gratie van democratisch gekozen overheden. Als Weeber het heeft over de angst die in de stad om zich heen grijpt, dan manifesteert die zich vooral in omgevingen met hevig contrasterende, buitenproportionele gebouwen. Ook zonder valse sentimenten en nostalgie moet het mogelijk zijn historische waarden te erkennen en te respecteren en terughoudendheid te betrachten bij nieuwe invullingen.