Zielloze overmaatse dozen en lachspiegels (1)

Er zijn twee visies mogelijk: ofwel men meent dat een historische stadskern opgevat moet worden als een eenheid, dus als geïntegreerd kunstwerk, ofwel men meent dat verschillende schilderijen (uit verschillende perioden) naast elkaar kunnen hangen, zodat ze een nieuwe relatie met elkaar aangaan en derhalve een nieuw kunstwerk vormen. Zoals de snor het aanzien van Mona Lisa veranderde.

Architect Carel Weeber signaleerde in gesprek met H.J.A. Hofland (NRC Handelsblad, 23 november) dat we er in Nederland maar niet in slagen onze binnensteden "echt modern leven in te blazen'. “Er zijn landen waar men bereid is de binnensteden sneller te vervangen door nieuwbouw”, constateert hij, en noemt België als voorbeeld, waar men meer durf heeft op stedebouwkundig gebied. Zo is de stadskern van metropool Brussel al flink omgewoeld om de EG een plaats in het centrum te bieden in plaats van aan de rand van de stad zoals we hier zouden doen.

Weeber lijkt het te betreuren dat Nederland een sterk historisch besef heeft. Het water loopt hem kennelijk in de mond bij het aanschouwen van zoveel onpraktische ellende als in Amsterdam, met al die kronkelende stegen, dat onhandige water en die krakkemikkige grachtenpanden. Deze binnenstad dient nodig modern leven ingeblazen te worden, lijkt hij te denken. Maar helaas: “Alleen in Rotterdam is de totale renovatie per ongeluk geslaagd - door het bombardement”. Dat nu uitgerekend de hoofdstad gespaard moest blijven.

Maar goed, het is makkelijk een sarcastische toon aan te slaan. Het gaat om argumenten.

De binnenstad van Amsterdam is een onlosmakelijk onderdeel van ons cultureel erfgoed, zoals de werken van Rembrandt dat zijn. En als er aan dat cultureel erfgoed iets toe te voegen valt, dan zetten we de Nachtwacht niet in het depot ten behoeve van een schilderij van Appel, maar bouwen we er een zaal bij. Nieuwbouw hoort thuis in de periferie en in tot op heden weinig ontwikkelde gebieden (de IJ-oevers). Een sculptuur van Zadkine past niet in het straatje van Vermeer, maar hoort tot zijn recht te komen in een context van moderne architectuur.

De parallel laat ons in de steek: beeldende kunst is geen leefomgeving, is versiering, decoratie. Architectuur daarentegen vormt het decor van ons dagelijks bestaan, is onontkoombaar, overal aanwezig. We kunnen geen zalen overslaan. Ook al blijven we in het historische hart van de stad, overal zijn de snorren van Mona Lisa.