Wat telt

Tellen is de kern van het leven. Dat heb ik eerder gezegd, daar blijf ik bij.

Dit stukje is nummer 214 in een reeks die begon op 21 maart en voor een jaar is afgesproken, wat het streefgetal brengt op 307.

Eerst schrijf ik het een paar keer in het klad, tot slot in het net. Zodra ik de vermoedelijk laatste versie uit de machine heb getrokken, neem ik een kleine Casio ter hand: 214 gedeeld door 3,07 is 69,70684 procent van het totaal. Honderd min 69,70684 is 30,29316 - maal 3,07 is 93 en 214 plus 93 is 307. Klopt!

Vervolgens voer ik dezelfde berekeningen alvast uit voor het stukje van de volgende dag en dat van eind volgende week. Dit gecijfer, hoewel dwangmatig, geeft me het gevoel van een reeks die ik meester ben.

Als de krant in de bus valt, meestal onder het eten, ga ik hem onmiddellijk halen. Ik vouw de voorpagina met dit stukje naar boven en tel de regels.

Het ideale aantal is 43 of 44. Om mysterieuze redenen tellen afwijkingen naar boven minder zwaar dan naar beneden; 47 bij voorbeeld is niet kwalijker dan 42. Maar meer dan vijftig is zondermeer een mislukking, terwijl onder de veertig mag, als het maar geniaal is.

Altijd eerst dit tellen. Dan pas kijk ik of er staat wat ik geschreven heb, of ik geschreven heb wat de bedoeling was.