VERRADEN DOOR HET WESTEN

The Immortal Emperor. The Life and Legend of Constantine Palaiologos, Last Emperor of the Romans door Donald M. Nicol 148 blz., Cambridge University Press 1992, f 65,20 ISBN 0 521 41456 3

De laatste keizer van het Oostromeinse Rijk was een werkloze Engelsman. Hij stierf vier jaar geleden op het Isle of Wight waar hij lange tijd in vol ornaat had rondgeschreden, met lang wit haar wapperend over de schouders, blootsvoets in sandalen, en omhangen met zelf ontworpen keizerlijke emblemen. Peter Mills heette hij, maar op het naambordje bij zijn tuinhek stond: "Zijne Keizerlijke Majesteit Petros I, Despoot en Autokrator der Romeinen, de Prins Palaiologos, Groot-Meester van de Ordo Imperialis Constantiniamus Militaris Sancti Georgii'. Vrienden mochten hem Prins Petros noemen.

Peter Mills vond dat hij de rechtmatige erfgenaam was van Constantijn XI Palaiologus, de laatste keizer die daadwerkelijk de scepter zwaaide over het christelijke Oostromeinse Rijk tot hij in 1453 sneuvelde bij de vergeefse verdediging van Constantinopel tegen de Ottomanen. De vrouw van Mills, die ondanks haar vlinderbril en krulpennen door het leven ging als "Hare Keizerlijke Majesteit Patricia Palaiologina, Keizerin der Romeinen', vond dat ook. Zij behoren, dat is duidelijk, tot degenen die nog steeds niet berusten in de val van Constantinopel, "het tweede Rome, de koningin der steden', die de verandering van het christelijke Byzantijnse Imperium in het mohammedaanse Ottomaanse Rijk definitief bezegelde.

De imperiale aspiraties van de familie Mills zijn gebaseerd op het feit dat keizer Constantijn XI stierf zonder duidelijke troonopvolger, eenzaam, als tweevoudig kinderloos weduwnaar, in de steek gelaten door zijn broers Thomas en Demetrios die kibbelden op de Peloponnesus, en verraden door de westerse mogendheden die hun steun aan het christelijke bolwerk tegen de Turken slechts met de mond beleden.

Ondanks dat lijdzaam toezien, en ondanks het bittere onbegrip tussen de Latijnse Kerk onder Rome en de oosters-orthodoxe, was de val van Constantinopel voor de christelijke wereld een monumentale en in zekere zin traumatische gebeurtenis. Dat gold niet voor de paus, die in één klap van een rivaliserend religieus centrum was verlost. Pius II plengde nog wel een symbolisch traantje over ""de tweede dood van Plato en Homerus'', maar haastte zich naar de Turkse sultan te schrijven dat hij zonder omhaal ""Keizer van de Grieken en de gehele Oriënt'' kon worden als hij zich maar liet dopen en zich aan Rome onderwierp.

Elders maakte de gebeurtenis echter wel indruk als zinnebeeld van de vergankelijkheid van het ondermaanse en de oprukkende antichrist. Door zijn heroïsche dood in de strijd tegen "de heidenen' kreeg Constantijn al snel na 1453 mythische dimensies. Velen geloofden dat hij in het heetst van de slag gered was door een engel, dan wel slapend als een marmeren beeld onder de Gouden Poort van Constantinopel wachtte op zijn resurrectie. Zelfs de Turken huiverden nog lange tijd bij de gedachte onder de Gouden Poort door te moeten. En dan was er de blijvende christelijke claim op het Byzantijnse Imperium, met al zijn rijkdom, die velen inspireerde tot het construeren van bloedverwantschap met Constantijn Palaiologus, tot aan de Mills op het Isle of Wight toe.

TOBBERIG

Het verhaal van de keizer die met het zwaard in de hand op de rokende restanten van zijn veertienhonderd jaar oude Rijk ten onder ging, is overigens zelden anders verteld dan in de marge van de val van het christelijke Constantinopel. Met The Immortal Emperor. The Life and Legend of Constantine Palaiologos heeft Donald M. Nicol, de eerste monografie over Constantijn geschreven sinds 1892. Als emeritus hoogleraar Nieuwgrieks en Byzantijnse Geschiedenis aan de Universiteit van London is hij tegenwoordig directeur van de beroemde Amerikaanse Gennadius Bibliotheek in Athene, waar een overweldigende Byzantinologische collectie te vinden is. Zijn faam berust op een berg uiterst leesbare publikaties, waarvan The Last Centuries of Byzantium uit 1972, The End of the Byzantine Empire uit 1979, The Despotate of Epiros 1267-1479 uit 1984, en Byzantine and Venice uit 1988 wellicht de bekendste zijn.

Met The Immortal Emperor maakt Nicol die faam volledig waar. Zelden heb ik zo'n beknopt boek gelezen waarin met zoveel elegantie, precisie, vaart en accuratesse een zo complex en dramatisch verhaal uit de doeken wordt gedaan. Vanuit een achteloze beheersing van de materie draait Nicol het gebruikelijke perspectief volledig om: in dit boek wordt de ondergang van het Byzantijnse Rijk verteld als decor van het leven van Constantijn.

De wederwaardigheden van de laatste Palaiologen-keizer zijn uit de eerste hand overgeleverd door een aantal kroniekschrijvers die hem kenden, en in het geval van Georgios Sphrantzes zelfs levenslang bevriend met hem waren. Op basis van die bronnen weet Nicol een verrassend scherp beeld van Constantijn te creëren. Hij blijkt geen zwakke, decadente of wankelmoedige heerser te zijn geweest, maar een wat tobberige serieuze man, ""de meest betrouwbare van al de broers'', een loyaal regeerder die tegen de stroom des tijds in probeerde zijn imperium, zijn geloof, en zijn leven te redden.

In werkelijkheid was er niet veel meer te redden in 1453. Het Oostromeinse Rijk bestond na eeuwen van militaire en politieke turbulenties uit weinig meer dan de stad Constantinopel en de Griekse Peloponnesus. En zelfs dat Rijkje was feitelijk al jarenlang een vazalstaat van de sultan.

Toen hij in 1449 de troon besteeg, voelde Constantijn zich echter wel degelijk keizer der Romeinen en heerser over de orthodox christelijke wereld. Hij was de achtste keizer van het Palaiologen-geslacht sinds Michael Palaiologus in 1261 de macht had gegrepen, maar hij beschouwde zich deel van een traditie die terugging op Constantijn de Grote, die in de vierde eeuw het christendom de facto staatsgodsdienst maakte en Byzantium nieuw opbouwde en naar zichzelf vernoemde.

Misschien meende Constantijn zelfs oprecht dat zijn gezag wortelde in Augustus, de eerste Romeinse keizer, stichter van het imperium waarvan de laatste schamele resten nu onder zijn hoede waren. Hij noemde zichzelf en zijn onderdanen nog altijd "Romaioi', Romeinen, hoewel zij Grieks spraken en later vooral deel zouden worden van de Grieks-orthodoxe politieke mythologie.

VERNEDEREND

Constantijn werd in 1405 geboren als vierde zoon van Keizer Manuel II Palaiologus in een Byzantijnse wereld die even opgelucht ademhaalde. Hoewel het desintegrerende Rijk al Bulgarije, Servië, Macedonië, Thessalië en Centraal Griekenland verloren had aan sultan Suleiman en zijn opvolgers, leek het Turkse gevaar voorlopig afgewend toen de Mongoolse heerser Tamarlan in 1402 de Ottomaanse legers versloeg.

Over de jeugd van Constantijn is weinig bekend, alleen dat hij een nauwe relatie koesterde met zijn moeder, de Servische prinses Helena Dragas, wier naam hij later als eretitel zou gebruiken. Met zijn oudere broer, die voorbestemd was als Johannes VIII de keizerlijke troon te bestijgen, had hij een goede band, maar met zijn jongere broers Demetrios en Thomas boterde het minder.

Constantijn was zeventien jaar oud toen de Ottomanen opnieuw probeerden Constantinopel in te nemen. Ternauwernood wist men de stad te verdedigen. Dat ging ten koste van keizer Manuel die getroffen werd door een beroerte, en van Thessalo-niki, dat werd overgedragen aan de Venetianen, die er hun grootste kolonie in Griekenland van maakten.

De nieuwe keizer Johannes Palaiologus zag in dat de situatie hopeloos was als er geen grootscheepse hulp uit het Westen zou komen. Hij ging zelf op reis om voor de Byzantijnse zaak te pleiten, terwijl hij de jonge Constantijn benoemde als regent over Constantinopel. Die toonde zich een succesvol bestuurder door een verdrag met de Ottomanen te sluiten dat weliswaar nogal vernederend was, maar in ieder geval de stad voorlopig vrijwaarde voor verdere aanvallen.

Ondertussen kreeg Johannes, net als zijn vader voor hem, nul op het rekest in het Westen. Kans op hulp, zo kreeg hij te horen, was er alleen als hij gehoorzaamheid aan de paus zou zweren en de oosterse Kerk weer zou verenigen met die van Rome. Grootscheepse versterkingen werden de keizer daarbij als een worst voorgehouden. Later zou Johannes toehappen en in 1439 zou de Unie te Florence bezegeld worden, hetgeen overigens slechts tot verdere commotie zou leiden. Maar zover was het nog niet toen hij met lege handen terugkwam en een nieuwe bezigheid voor zijn broer Constantijn moest zoeken.

Die lag in de enige regio die het Rijk buiten de stad Constantinopel nog telde: de Griekse Peloponnesus, ofwel Morea zoals de naam toen luidde. Hoewel sinds het begin van de dertiende eeuw een lange rij buitenlandse machten, zoals Frankische ridders, Venetiaanse en Albaanse kolonisten, Italiaans-Epirotische heersers, pauselijke bisschoppen en Turkse legerleiders, met wisselend succes stukken van het schiereiland in bezit hadden genomen, viel het in deze tijd weer grotendeels onder het gezag van Byzantium. Naast broer Theodorus kregen Constantijn en Thomas elk een gebied toegewezen onder het motto dat zij eendrachtelijk nog wel wat westerse bruggehoofden op de Morea zouden kunnen opruimen.

PERFIDE ROOMSEN

Op zichzelf lukte het de gehele Peloponnesus in korte tijd weer onder controle te krijgen, maar die expansie irriteerde de paus, die een aartsbisdom verloren zag gaan, en verontrustte de Ottomanen, die van de weeromstuit haast zetten achter hun machtsuitbreiding in Noord-Griekenland. Bovendien vlogen de broers van de keizer elkaar in de haren over de verdeling van de buit. Om de zaak te sussen, haalde Johannes zijn favoriet Constantijn terug naar Constantinopel, en gaf daarmee aan dat hij troonopvolger zou worden.

In 1437 vertrok Johannes naar Italië in een ultieme poging door een Unie-verdrag met de Roomse Kerk dan eindelijk de hulp uit het Westen in beweging te krijgen. Velen in Constantinopel voelden zich verraden. Zij vertrouwden liever in de hulp van God dan in die van de perfide roomsen. Anderen zagen het verdrag als een taktische fout die de achterdocht van de Turken zou wekken.

Constantijn koos de zijde van Johannes, zonder veel enthousiasme overigens, maar vanuit de inschatting dat steun van de paus nu eenmaal onmisbaar was om te overleven in de chaotische machtsverhoudingen op de Balkan. Even, heel even, leek het klimaat met Rome inderdaad op te klaren. Toen Constantijn in 1443 terugkeerde naar de Peloponnesus om vanuit de politieke en intellectuele hoofdplaats Mistra het bestuur weer op zich te nemen, ontving hij bemoedigende brieven uit het pauselijk hoofdkwartier. Vooral het feit dat Constantijn de grote verdedigingsmuur over de Isthmus bij Korinthe herbouwde, ontmoette veel instemming. De paus organiseerde zelfs een kruistocht tegen de Ottomanen, maar die werd bij Varna volledig in de pan gehakt door sultan Murad. Daarna had die de handen vrij om Constantijn een lesje te leren. Dat deed hij, snel, hard en bloedig. Toen de muur over de Isthmus viel, restte Constantijn niets anders dan de sultan als zijn meerdere te erkennen en voortaan een jaarlijks tribuut te betalen.

Inmiddels was er een wellicht nog ernstiger gevaar. Het geslacht der Palaiologen dreigde uit te sterven. Keizer Johannes stierf kinderloos, broer Theodorus overleed met achterlating van enkel een dochter, en de troonopvolger Constantijn had al tweemaal zijn vrouw na een kort huwelijk verloren.

Op 6 januari 1449 werd Constantijn in Mistra tot keizer uitgeroepen, maar niet officieel gekroond, want er was geen Patriarch voorhanden ter plekke, en de nieuwe keizer was voorzichtig genoeg het niet in Constantinopel te proberen, want de kerkelijke bevestiging van zijn bewind daar zou wel eens kunnen uitlopen op rellen tegen de Unie met de paus. Het was voor alles zaak een vrouw te vinden die hem zonen kon baren. Constantijn stuurde zijn vriend, de chroniqueur Georgios Sphrantzes op pad om een geschikte kandidate bij naburige vorstenhuizen te zoeken. Na twee jaar kwam die terug met een contract voor een huwelijk met een Georgische prinses. Constantijn was verrukt, maar dat gold niet voor een aantal invloedrijke adviseurs aan het hof. Er onstond een patstelling, terwijl de keizer zijn aandacht alweer moest verleggen naar een ander front.

LELIJKE BLUNDER

Na de dood van sultan Murad II in 1451 werd zijn jonge zoon Mohammed II de nieuwe machthebber van het Ottomaanse Rijk. Aanvankelijk bezwoer hij bij Allah, de Koran en de Profeet, alsmede bij alle engelen en aartsengelen dat hij met Constantinopel in vrede zou leven. Toch probeerde Constantijn de paus over te halen om eindelijk de beloofde steun te geven, maar die wimpelde dat koeltjes af met de mededeling dat de orthodoxe Kerk niet hard genoeg haar best deed het gezag van Rome te accepteren.

In het nauw gedreven maakte Constantijn een lelijke blunder. Sinds lange tijd werd te Constantinopel een rivaal van de sultan in gijzeling gehouden, een dienst waarvoor de de Ottomaanse heersers betaalden. Constantijn eiste plots meer geld. Het was een spel dat eerder was gespeeld en in het verleden soms succes had gehad. Mohammed bleef aanvankelijk beleefd, maar in feite was zijn besluit genomen. Constantinopel zou vallen. ""Die stomme Grieken'' hadden er om gevraagd. In de winter van 1451 gaf hij opdracht de omsingeling te beginnen.

De sluipende ongerustheid in de hoofdstad van het Oostromeinse Rijk sloeg in het navolgende voorjaar om in angst. Op de Europese oever van de Bosporus zagen de inwoners voor hun ogen een groot Turks fort gebouwd worden en dat betekende weinig goeds. Constantijn kon nu niet anders dan formeel de oorlog aan de sultan verklaren, de poorten van Constantinopel sluiten, en de stad gereed maken voor de belegering. Tegelijkertijd zond hij voor de zoveelste maal oproepen voor hulp naar de Westerse mogendheden. Maar het had er alle schijn van dat die Constantinopel al hadden afgeschreven en hun betrekkingen met de sultan niet wensten te verpesten.

Constantijn werd wanhopig. Hij loofde nu extravagante sommen en ridicuul grote beloningen uit voor iedereen die maar iets zou doen om de "koningin der steden' te steunen. De paus reageerde met het sturen van een gezantschap dat met een mis de zielen van de inwoners bedoelde te redden, niet de stad. Gelukkig reisden in het kielzog van de kardinaal ook nog tweehonderd boogschutters mee en die werden door Constantijn gebruikt om de goede bedoelingen van Rome aan te tonen tegenover de morrende bevolking.

Maar het was vooral het gebulder van de Turkse kanonnen dat de religieuze geschillen overstemde, en in de hoop op verdere hulp uit het Westen liet Constantijn haastig een dienst houden waarin de Unie met Rome bekrachtigd werd. De kardinaal berichtte aan de paus dat de gehele bevolking van Constantinopel aanwezig was, anderen reppen van een bijeengeraapt zooitje dat de liturgie zo snel mogelijk wilde afwikkelen om de weg vrij te maken voor een nieuwe roomse kruistocht tegen de Turken.

IN TRANEN

Inderdaad kwam er nu ten langen leste beweging bij de westerse mogendheden. In Ventië en Genua werden wat oorlogsschepen uitgerust en bemand. Maar gehakketak over de vraag wie de rekening daarvoor zou betalen, zorgde voor kostbaar oponthoud. De Duits-roomse keizer Frederick III liet ook van zich horen met een blufbrief aan de sultan waarin hij hem sommeerde het beleg te staken op straffe van een aanval ""van alle heersers en legers van de christelijke wereld''. Mohammed heeft de missive waarschijnlijk glimlachend terzijde gelegd.

De situatie van Constantinopel werd nu zeer penibel. De voorraden liepen ten einde en het voedsel werd onbetaalbaar. De keizer probeerde de nood te lenigen door goud en zilver uit de kerken te slopen en om te smelten. Eigenhandig hield hij toezicht op de aanleg van de versterkingen waarmee de inwoners van Constantinopel, mannen en vrouwen gelijk, dag en nacht bezig waren. Hij kon wat moed putten uit het feit dat toch nog wat westerse soldaten, al dan niet toevallig, de stad waren binnengekomen ter versterking.

Constantijn wist echter dat de sultan beschikte over superieure zware kannonen die hij zelf niet had kunnen betalen. Op paasmaandag 2 april 1453 begon de definitieve Ottomaanse aanval dan ook met een niet aflatend bombardement van de stad. De driedubbele muren van Constantinopel waren niet bestand tegen het artillerie-geweld en begonnen stuk voor stuk in te storten. In een laatste poging smeekte Constantijn de sultan nog om vrede, maar die rook bloed en antwoordde dat de keizer ongedeerd naar de Peloponnesus mocht vertrekken zolang hij de stad maar overgaf.

Constantijn twijfelde nog even of een jaarlijks tribuut van 100.000 goudstukken de stad misschien nog zou kunnen redden. Tijdens het overleg daarover met zijn adviseurs viel hij van uitputting flauw, maar zijn besluit stond vast. Hij zou niet de geschiedenis ingaan als de keizer die de Koningin der Steden had overgeleverd aan de heidenen. In de laatste boodschap die ooit tussen een Byzantijnse keizer en een Ottomaanse sultan werd gewisseld, berichtte hij aan Mohammed II dat hij zou blijven en dat de Turken ""alles mochten hebben behalve Constantinopel''.

Terwijl het bombardement dag in dag uit voortduurde, leefde in de stad nog steeds een sprankje hoop dat de verlossende hulp uit het Westen op tijd zou arriveren. Toen bleek dat die hulp in geen velden of wegen te bekennen was, werd het Constantijn te veel. Hij barstte in tranen uit. De christelijke wereld had hem verraden met loze woorden en vernederende religieuze exercities. De spanning in Constantinopel werd nu ondraaglijk. Op 24 mei was er ook nog een maansverduistering en viel de icoon met de Moeder Gods, beschermster van de stad, op onverklaarbare wijze op de grond. Vier dagen later was het zover.

GRAFREDE

De bombardementen werden plots gestopt in afwachting van de bestorming. In de beklemmende stilte die over de gehavende stad hing, hielden de inwoners hun laatste processie. Constantijn zelf liep aan het hoofd van de stoet. Daarna sprak hij tot zijn soldaten. Het was zijn laatste toespraak, de grafrede van het Romeinse Rijk, zoals Edward Gibbon schreef. Er zijn verschillende versies van Constantijns woorden, maar zeker is dat die grote indruk maakten op de verdedigers van de stad. Er volgde nog een grote gezamenlijke dienst van rooms-katholieken en or-thodoxen, waarbij Constantijn de sacramenten kreeg en daarna in het duister van de nacht verdween om zijn troepen op de muren te inspecteren.

De bestorming kwam in de ochtenduren van 29 mei. Urenlang beukten Ottomaanse elitetroepen op de verzwakte verdedigingslinies. Na zes uur brak de eerste groep door en het lukte hen de Ottomaanse vlag te hijsen op een van de torens. Er brak paniek uit in de stad. Constantijn probeerde de gelederen gesloten te houden. Hij wierp zijn keizerlijke regalia af en stortte zich met getrokken zwaard in de vechtende kluwen.

Het laatst werd hij levend gezien bij de poort die vernoemd was naar de Heilige Romanos. Daar zal hij ook gesneuveld zijn. Sommige kroniekschrijvers meldden dat hij vertrapt werd in het gedrang, anderen dat de sultan zijn afgehakte hoofd in triomf liet ronddragen. Constantinopel was gevallen, het keizerrijk was ten einde.

Voor degenen die dat niet konden geloven, was er echter hoop in geruchten dat Constantijn in het geheim een weduwe had achtergelaten met kind, ofwel dat andere nazaten van hem hun kans afwachtten de stad en het Rijk in christelijke glorie te herstellen. In werkelijkheid was de laatste Palaioloog die een greintje keizerlijk bloed in de aderen had aan het einde van de zestiende eeuw dood. Wel doken her en der steeds weer mensen op die de naam Palaiologus gebruikten als toegangskaart tot een gedroomd fortuin. De mythe bleef leven, tot aan Peter Mills op het Isle of Wight aan toe.

Overigens blijkt uit Nicols boek dat Groot-Brittannië wemelt van de troonpretendenten. In de jaren zeventig nog had de postbode Archie White-Palaeologus verklaard dat er vele Palaiologi in het land leefden die regelmatig bijeen kwamen, om dan gekleed in keizerlijke mantels elkaar met majesteit aan te spreken.

Het is overigens de vraag of de orthodoxe bewoners van Constantinopel zo verguld zouden zijn geweest met die verlate westerse belangstelling. Vlak voor de val van ""de koningin der steden'' had een van de hoogste adviseurs van keizer Constantijn nog vanuit de grond van zijn hart geroepen: ""Liever als baas van de stad de tulband der Turken, dan de roomse mijter!''