Spaanse socialisten belaagd door schandalen

MADRID, 28 NOV. De Spaanse regeringspartij PSOE heeft vrijwel zeker jarenlang gebruik gemaakt van een uitgebreid illegaal circuit ter financiering van verkiezingscampagnes, propaganda en manifestaties. Via brievenbusmaatschappijen werd bij banken en andere grote bedrijven honorarium geïncasseerd voor nimmer geschreven adviesrapporten. Tussenpersonen streken commissies op bij het verlenen van overheidsopdrachten, bij voorbeeld op het gebied van de wegenbouw of bij de aankoop van materiaal voor de hoge-snelheidstrein tussen Madrid en Sevilla. De namen van ruim dertig min of meer prominente socialisten worden genoemd in het dertigduizend pagina's tellende rapport van de onderzoeksrechter inzake de illegale financiering van de PSOE, dat deze week aan de raadslieden van alle betrokken partijen is overhandigd.

Premier Gonzalez heeft eergisteren in het parlement verklaard dat hij pas commentaar zal geven op de affaire wanneer er een uitspraak van de rechter is. Andere hoge partijfunctionarissen tonen zich echter zeer bezorgd over de electorale gevolgen van het schandaal. Want terwijl de regeringsleider verzekert dat het uiteenvallen van Spanje in elkaar bestrijdende regio's het politieke probleem is dat hem op dit moment de meeste zorgen baart, blijkt uit opiniepeilingen van de laatste tijd dat de kiezers de bestuurlijke corruptie bovenaan hun lijst van zorgen plaatsen.

De regeringspartij heeft het er vermoedelijk niet beter op gemaakt door op vrijwel alle fronten een offensief te lanceren tegen de onderzoeksrechter die de zaak in handen heeft en tegen de pers die erover publiceert. Beide instanties worden er door prominente socialisten zoals de vice-voorzitter van de partij, Alofonso Guerra, van beschuldigd het vertrouwen in de democratie ernstige schade toe te brengen door hun niet-aflatende gespit in de affaire. Rechter Marino Barbero is intussen tot een soort volksheld uitgegroeid door zijn spectaculaire "overvallen' op verscheidene banken, het hoofdkantoor van de Bank van Spanje en de partijcentrale van de socialisten. In de burelen van al deze instituten liet hij dozen vol documenten in beslag nemen die mogelijk aanwijzingen bevatten voor het bestaan van het illegale financieringscircuit.

Marino Barbero is een voormalig hoogleraar strafrecht, die zich in het verleden onderscheidde door zijn oppositie tegen het Franco-regime en pas op latere leeftijd toetrad tot de rechterlijke macht. Het onderzoek in de zogenaamde kwestie-Filesa is zijn eerste grote zaak. De firma Filesa en de zustermaatschappijen Matesa en Time-Export zijn eigendom van twee socialistische parlementariërs en inden aan het eind van de jaren tachtig miljoenen van banken en andere grote bedrijven als honorarium voor bedrijfsadviezen. De drie firma's beschikten echter samen over niet meer dan één secretaresse en een administrateur - en van de dure rapporten is niets terug te vinden. Alle door de rechter gesommeerde bedrijven beweren nu dat deze stukken nooit zijn ontvangen of kwijt zijn geraakt.

De regeringspartij was zich er al langer van bewust dat de zaak een schaduw zou werpen over de integriteit van haar bestuurders, maar had gehoopt dat het juridisch onderzoek beperkt zou blijven tot Barcelona, waar de drie nepfirma's gevestigd zijn. Barbero heeft de door de voormalige administrateur ingediende fraude-klacht echter aangegrepen voor een onderzoek naar de complete partij-financiën en dat wordt hem bijzonder kwalijk genomen.

De grote tegenspeler van Barbero is procureur-generaal Eligio Hernandez. Hernandez heeft zich voorgenomen paal en perk te stellen aan “de aanvallen op de goede naam van onze politici” en is in totaal vijf beroepsprocedures begonnen tegen onderzoeksrechter Barbero, tot nog toe steeds zonder succes. Deze stappen worden zelfs door sommige socialistische politici als tamelijk genant ervaren en heeft de procureur-generaal een openbaar protest opgeleverd van zowel de linkse als de rechtse beroepsvereniging van openbare aanklagers. Zij vinden dat hij hun reputatie in diskrediet heeft gebracht. Het doorgaans regeringsgezinde dagblad El Pais schreef in een hoofdartikel dat Hernandez het openbaar ministerie politiseert en daarmee onherstelbare schade toebrengt aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Deze week werd door de oppositie in het parlement zijn afgetreden geëist. Hernandez toonde zich gekwetst dat zelfs politici het niet wisten te waarderen dat hij opkwam voor hun klasse, maar beloofde de eis in overweging te zullen nemen. Inmiddels heeft zelfs de minister van justitie hem tot grotere terughoudendheid gemaand.

Dit betekent dat rechter Marino Barvero voorlopig door kan gaan op de ingeslagen weg. Sommige socialisten vrezen dat hij in de nabije toekomst een verband zal weten te leggen met een andere corruptie-affaire, die tot nu toe alleen de deelregering van Andalusië betrof. In deze zogenaamde “affaire-Ollero” werd een tussenpersoon met ruim twintig miljoen peseta's aan zwart geld betrapt. De directeur van een groot wegenbouwbedrijf, die het geld had betaald in ruil voor geheime informatie over een overheidsopdracht, is inmiddels in staat van beschuldiging gesteld en afgetreden als voorzitter van de nationale verening van bouwondernemers. Eén van de verdachten in deze affaire is de voormalige coördinatrice voor financiële zaken van de PSOE, die enige jaren geleden officieel voor zichzelf begonnen is, maar nog geruime tijd het kantoor bleef delen met het verkiezingshoofdkwartier van de partij en ook een volmacht had voor campagne-bankrekeningen. Ook zij blijkt schulden van de partij te hebben voldaan. Als beide affaires inderdaad met elkaar in verband gebracht kunnen worden, komt de socialistische familie in nog grotere problemen. Problemen die hoe dan ook uit de wereld zouden moeten zijn voor de campagne voor de volgende verkiezingen begint. En dat is misschien al volgend voorjaar.