Proefondervindelijk tuinieren

Het meconopsis-vraagstuk is opgelost, of tenminste een deel ervan. De moeilijkheid rond deze tijd van het jaar is de sluimerende planten te beschermen tegen te grote natheid; het klimaat van de Himalaya mag dan voldoende op het Europese lijken om ons in staat te stellen hier de planten van daarginds te kweken, maar 's winters regent het hier meer dan daar (en omgekeerd 's zomer minder). Dus moet de meconopsis in de waan worden gebracht dat er een wolkenloze Himalayaanse hemel boven hen hangt. Niets is gemakkelijker, zeggen de deskundigen: bedek ze met glas.

Om een of andere reden stuit het bij mij op weerstand om naar de glashandel te gaan en daar een ruit op maat van het meconopsis-bed te laten snijden; er moet, zo heb je het gevoel, ergens in huis wel iets bruikbaars rondslingeren. En dat bleek ook waar te zijn: een gewelfd plastic bovenlicht dat we eens op straat hadden gevonden; het bleek precies de juiste afmetingen te hebben. Nu zitten mijn meconopsissen - samen met wat wilde aardbeien: ik vraag me af wat die denken dat er gebeurt - knus en droog onder een miniatuur geodesisch gewelf, alsof zij deel waren van een of andere geheimzinnige proefneming.

Intussen is er op het ogenblik ook een ander experiment gaande, ook in vitro, dat wil zeggen onder een stuk vensterglas dat we nog hadden, en dat is het cyclamen-proefstation. Hier kunnen worden aangetroffen, voorlopig, tien kiemplantjes van Cyclamen hederifolium, in september door mij gekweekt uit zaad en zo te zien goed gezond. Het kan niet erg moeilijk zijn tuincyclamen uit zaad te kweken als het zelfs mij gelukt is; daar staat tegenover dat zij een zo gigantische stap voorwaarts betekenen vergeleken bij mijn eerste proefnemingen met het kweken van vaste planten uit zaad, dat er wel een duurzaam gedenkteken voor zou mogen worden opgericht.

We hadden de tuin nog maar sinds een paar uur toen iemand mij wat zaaddozen van de Meconopsis horridula kwam brengen: zaai ze gewoon in de koude grond, luidden de instructies, op een goede, beschaduwde plek. Wel, koude grond hadden we, en ook veel schaduw, maar er zou toch wel meer bij komen kijken? Welnee, was het bescheid, ze zijn doodmakkelijk. Sedertdien heb ik zoveel gehoord over al de moeilijkheden die mensen ondervinden met meconopsis-zaad, dat ik denk dat de gulle gever de groenste van alle vingers moet hebben, of een duivels geluk. Hoe dan ook, ik was overtuigd, groef wat kuilen en zaaide.

De onwetendheid van een beginner is onpeilbaar en onbezongen: waar, in welk tuinboek wordt vermeld dat het niet de hele zaaddoos is die je moet planten, maar dat er zaden in zitten die je er uit moet halen? Er wordt stilzwijgend verondersteld dat iedereen dat weet en ik vermoed dat het ook mij wel is bijgebracht door Miss Ladbroke, mijn lerares Natuurlijke Historie op school. Maar het moet op een of andere manier een dode letter zijn gebleven, zoals haar abstracte benadering van de seksuele voorlichting, beperkt tot enkele lessen over de voortplanting van het konijn, mij later ook van weinig praktisch nut is geweest.

Toen ik begreep wat ik verkeerd had gedaan voelde ik me zoals bij dat raadsel: "Wat is het verschil tussen een olifant en een brievenbus?' (Weet je dat niet? Nou, dan zal ik jou maar niet vragen een brief voor mij te posten) en ik heb het de gever van die zaaddozen nooit durven vertellen. Een andere moeilijkheid waar de boeken ook meestal overheen schaatsen - of beter gezegd waar je zoals veel van zulke moeilijkheden pas inzicht in krijgt nadat je het een keer hebt gedaan - is vaststellen wanneer het zaad rijp is. Cyclamenzaden hebben een klein jaar nodig om te rijpen; anders gezegd, ze zijn oogstbaar kort voor de nieuwe bloemen verschijnen. We hadden een heleboel bloemen vorig jaar en dus een overvloed aan zaad; de beste manier om vast te stellen of ze werkelijk rijp zijn is een opengebarsten zaaddoos vergelijken met degene die nog dicht zijn.

Pas geoogst zaad kan meteen worden gezaaid, maar als het ouder is moet het een dag of twee geweekt worden in kraanwater. Het gevaar in dit stadium is dat je ze vergeet, in hun glas kraanwater, bijvoorbeeld omdat je hebt verzuimd tijdig het speciale zaaimixture te maken, of niet wist waar in vredesnaam de steenscherfjes vandaan te halen waarmee je de aarde in het zaaibakje moet bedekken. Uiteindelijk mengde ik gewone zaaigrond met wat bladaarde, waar cyclamen van houden, en ik kocht aquariumsteentjes in een dierenwinkel. Daarna ging het glas er over en zo werd het buiten neergezet in de schaduw van de noordermuur; zowat twee maanden later verschenen de eerste blaadjes.

Veel van wat je doet bij het tuinieren is spelen op veilig. De hele procedure is zo kwetsbaar, zo gelardeerd met kansen dat er iets misgaat, dat het roekeloos lijkt al je zaden of wat ook aan precies dezelfde behandeling te onderwerpen. Daarom stortte ik ook eenderde van mijn cyclamenzaden op de aarde bij de ouderplanten en het resterende derde deel gaf ik aan een door de wol geverfde tuinier. De zaden van de doorgewinterde tuinier kwamen eerder op dan de mijne en in grotere hoeveelheden, hetgeen mij griefde, maar het interessantste is wat er gebeurde met de zaden die ik buiten had gezaaid.

Het herkennen van de eerste kiemblaadjes van een plant is bepaald een kunst, zo niet een staat van genade; ook dat is weer zoiets dat je alleen maar kent als je het al kunt, zoals je Chinees moet kennen om Chinees te kunnen leren. Maar als je tien minuscule kiemblaadjes in een zaaibak hebt (cyclamen zijn eenzaadlobbig en hebben dus maar één kiemblaadje per plant) leer je ze goed herkennen en dus ook terugvinden in het bloembed. Daar waren ze dan ook, bedrieglijk vermengd met de nieuwe blaadjes van het speenkruid dat ook om deze tijd van het jaar opkomt en die er veel op lijken. In vorige jaren moet ik alle opkomende cyclamen hebben uitgerukt of 't onkruid was.

De knollen van baby-cyclamen zijn heel teer; na het eerste jaar bestaan ze alleen maar uit een balletje water met een huidje er omheen en het is raadzaam te wachten met uitplanten tot zij weer opkomen in hun tweede jaar. Het lijkt een hoop gemier voor iets dat vanzelf gaat; de cyclamen, in tegenstelling tot de meconopsis, is een Europese plant en voelt zich hier thuis. Zijn de speciale zaaigrond, de aquariumsteentjes en het stuk glas dan wel echt nodig? Natuurlijk, onder gecontroleerde voorwaarden krijg je meer plantjes, maar het krachtigste argument is dat je, als je dat hele ritueel niet een keer hebt uitgevoerd, niet in staat bent degene die je voor niets krijgt te herkennen.