Olieminister Al-Hiti: "Wij gehoorzamen nu volledig aan de VN-resoluties'; Irak kan snel zijn olie-export hervatten

WENEN, 28 NOV. Osama Abdul Razzak Al-Hiti (48) is een rustig pratende olie-ingenieur, nu minister voor oliezaken in het kabinet van de Iraakse leider Saddam Hoessein. Hij bemoeit zich liever niet te veel met de politiek. Gisteren, tijdens de OPEC-vergadering in Wenen, tekende hij bezwaar aan tegen de resolutie die zijn collega's goedkeurden en waarin een geringe vermindering van de olieproduktie is voorzien. “Te weinig”, is het oordeel van Al-Hiti, “maar omdat wij nog niet exporteren hebben we van de huidige lage olieprijs niet al te veel te lijden”.

Irak vindt dat OPEC rekening moet houden met hervatting van de olie-export door dit land. Als het aan Al-Hiti ligt, gaat dat spoedig gebeuren. “Het is van groot belang voor de wederopbouw van ons land, maar ook voor de oliemarkt en voor de consumerende landen in het Westen.”

Op korte termijn zijn volgens Al-Hiti nieuwe besprekingen tussen de Verenigde Naties en Irak nodig, om de economische sancties tegen Irak te beëindigen. “En de politieke houding van een aantal leden van de Veiligheidsraad jegens Irak moet ook veranderen”. Op de vraag of Irak zelf zijn houding niet snel zou moeten wijzigen, om het vertrouwen van de VN te krijgen, zegt Al-Hiti: “Dat zie ik niet zo. Wij gehoorzamen de Verenigde Naties en de resoluties nu volledig. We concentreren ons niet op massavernietigingswapens, die worden nu allemaal opgeruimd, maar we werken hard aan de wederopbouw van ons land.”

De Iraakse olie-industrie is volgens de minister nu zover hersteld dat het land een produktie van “ruim twee miljoen vaten per dag” kan halen. Voorafgaande aan de Golfcrisis bracht Irak dagelijk 3,3 miljoen vaten op de markt met gebruikmaking van de nog aanwezige reserveonderdelen. In het land zijn de produktie-installaties die in de oorlog werden vernietigd, weer gebruiksklaar gemaakt en ook zijn de raffinaderijen voor het grootste deel gerepareerd, aldus minister Al-Hiti.

“We zorgen nu zelf voor de benodigde chemicaliën, die voor het raffinageproces nodig zijn. Maar we hebben dringend behoefte aan nieuwe apparatuur uit het buitenland. Onderdelen, installaties, enzovoorts. We hopen spoedig toestemming te krijgen voor import van die goederen, om onze economie weer goed in gang te zetten. Binnen een jaar kunnen we dan weer ons oude produktieniveau halen.”

Al-Hiti nodigt nadrukkelijk Westerse oliemaatschappijen uit om, zodra dat mogelijk is, met het Iraakse staatsolieconcern SOMO samen te werken. “We kunnen ze allerlei contracten bieden, voor het ontwikkelen van nieuwe olievelden en de verbetering van de produktie in bestaande velden, voor raffinaderijen en andere installaties. We kunnen Westerse techniek, deskundigheid en investeringen erg goed gebruiken.”

Al-Hiti heeft contacten met diverse Europese oliemaatschappijen, ter voorbereiding van de samenwerking die hij beoogt. Met het Nederlands-Britse concern Shell heeft hij nog geen gesprek gehad, zegt hij. “Maar ze zijn zeer welkom.” Ook "production-sharing' contracten (overeenkomsten waarbij de geproduceerde olie wordt gedeeld tussen Irak en de buitenlandse maatschappij die produceert) zijn mogelijk, verzekert hij.

Export via de Iraakse pijpleiding door Saoedi-Arabië voorziet Al-Hiti voorlopig nog niet, gezien de moeilijke verhouding met het buurland, maar wel via de leiding door Turkije naar de Middellandse Zee. Ook is een van de twee oliehavens van Irak aan de Golf, bij Basra, weer gebruiksklaar gemaakt, evenals installaties die aardgas vloeibaar maken voor de export. “Daar werken we hard aan, met onze beperkte middelen. Maar we moeten nu veel moeite doen om apparatuur voor de olie-industrie zelf te fabriceren. Dat lukt, maar we zouden die capaciteit liever voor de olieproduktie gebruiken.”