MYSTIEK

Taal van verlangen. Overwegingen bij de mystiek van Juan de la Cruz door prof.dr. W. G. Tillmans e.a. 127 blz., J. H. Gottmer 1992, f 24,50 ISBN 90 257 2441 8

Ooit werd Johan Polak gevraagd naar een originele invalshoek voor een interview met Gerard Reve. ""Lees de gedichten van Johannes van het Kruis, die hebben veel invloed op hem gehad'', was zijn antwoord. Het interview heeft nooit plaatsgevonden, en ook uit zichzelf heeft Reve de gelegenheid, vorig jaar bij de herdenking van de vierhonderdste sterfdag van Sint Jan van het Kruis, niet aangegrepen zijn licht op deze Spaanse mysticus, dichter en schrijver te werpen. Wèl mochten toen diverse kunstenaars, die zegden door De la Cruz benvloed te zijn, hun "installaties' in de Nieuwe Kerk tonen.

De herdenking pakte vooral voor de publicitaire wereld goed uit. Er kwam een tweede druk van Het donker is mij licht genoeg, een bloemlezing uit de poëzie van Sint Jan, bezorgd door J. Peters en J. A. Jacobs, die al eerder de totale Mystieke Werken bezorgden (de derde druk verscheen in 1980 te Gent), en nog in 1991 schreef Kitty Bouwman een doctoraalscriptie Gespeend tot aan de dood voorbij. Het spenen en het moederbeeld van God in de mystieke werken van Johannes van het Kruis aan de Katholieke Theologische Universiteit van Amsterdam. Datzelfde instituut verzorgde samen met de Theologische Faculteit van de UvA op 24 en 25 oktober verleden jaar openbare lezingen.

De weerslag daarvan is zojuist in druk verschenen, naast geactualiseerde vertalingen van De donkere nacht van De la Cruz door H. C. ten Berge in diens recent verschenen bundel Overgangsriten. Een jaar later of eerder maken niet uit voor deze poëzie, want al sinds hun eerste publikatie zijn de werken van de Spanjaard onderwerp van verdieping en verbreding, vertaling en discours. Deze bundel geeft overigens géén introductie tot de poëzie van Sint Jan van het Kruis: er staat in wat de titel belooft. Zes hoogleraren diepen vanuit hun invalshoek en in hun eigen proza (van hilarisch tot niet-te-pruimen) een aspect uit.

De mystici, of deze nu van vaderlandse bodem zijn (Hadewijch, Jan van Ruusbroec) of van Spaanse, schreven niet de meest toegankelijke gedichten. Het leest niet lekker weg, en wie herkent nog de bijbelteksten die in de verzen meegeweven zijn, al kan veel mystieke lyriek ook als liefdeslyriek worden opgevat. Zó, betoogt Kees Fens, is Juan de la Cruz ook aan zijn "Geestelijk Hooglied' gekomen. Opgesloten als "gevaarlijke gek' in de kloosterkerker hoorde hij een jongen voorbijkomen die een volksliedje zong. Een flard van de tekst ving hij op: ""Ik sterf van liefde, liefste / Wat moet ik doen? / Sterven'. Dat was in 1578; in de Nederlanden was Thomas van Kempens De navolging van Christus al stuk gelezen, en Juan de la Cruz zette zich aan zjn ""tocht naar het centrum van de ziel, om het Absolute te vinden: God''.

In de bundel worden parallellen getrokken en verschillen aangegeven met Franciscus van Assisi en Bernard van Clairvaux, maar de aardigste bijdrage is die van prof. dr. A. J. Jelsma, over de receptie van het werk in protestantse kring. Buiten Spanje drong de mystieke poëzie van Juan de la Cruz maar amper door vanwege de taalproblemen, bovendien werd het werk niet alleen ondergesneeuwd omdat Italië alle geestelijke aandacht op zich ging vestigen, maar de jezuëten hadden het niet op Juan de la Cruz, noch op Theresa van Avila. Hùn "navolgers', de "quiëtisten', kregen met de Inquisitie van 1687 maar liefst 68 stellingen aan hun broek.

Het lijkt verwonderlijker dan dat het is: een opnieuw Strijdende Kerk had behoefte aan verdedigers van het geloof, niet aan maanzieke mijmeraars op zolderkamers en kerkers. Het is ook om diezelfde reden dat de protestanten er niet zo goed raad mee wisten: het in zichzelf gekeerde werk van Sint Jan van het Kruis verdraagt zich niet met het uitdragen van het geloof, en van het eigen gelijk. De protestantse theoloog en dichter Gerhard Tersteegen (1697-1769) raakte echter wel sterk onder invloed van De la Cruz. Van Tersteegen zijn vijf gedichten opgenomen in het Liedboek voor de Kerken (1973), zodat Sint Jan van het Kruis ook in de reformatie weerklinkt.