Moeder dweilt vaak 's nachts de kamer

De middag ligt in duigen. Om precies vijf uur klinkt op radio Zagreb de monotone stem van de nieuwslezer. Gevechten in Sarajevo, Olovo en Gradacac. Pasja, de moeder van Janny Nozinovic, loopt nerveus heen en weer. In kamer A-116 van het tijdelijk opvangcentrum in Den Bosch heerst een grafstemming. Janny verbergt haar gezicht in een handdoek. Kamergenote Nura geeft tussen de berichten door cynisch commentaar. Als het nieuws voorbij is verzucht ze: "Europa, Europa'. Niemand kijkt elkaar aan.

Eerder die middag eet Janny met kleine hapjes van haar ome lette. Ze kijkt vergenoegd om zich heen en lacht wanneer over de school vertelt en over haar vrienden in het tijdelijk opvangcentrum, met wie ze - nog steeds tegen de zin van haar moeder - optrekt. “We doen geen slechte dingen en met wie moet ik me anders vermaken? Ze snapt het nog steeds niet. Als ik 's nachts in bed lig te huilen wil ze weten wat er is. Maar ik kan niet met haar praten. Ik kan alleen met mijn vader praten en zodra we weer bij elkaar zijn zal ik hem alles vertellen.”

Ze zwijgt een paar minuten en speelt even met haar vork. “We worden soms radeloos van de onzekerheid. Sommige mensen zeggen dat de oorlog nog wel jaren kan duren. Moeder en Nura slapen slecht. Ze worden vaak om drie uur 's nachts wakker en gaan dan de vloer van de kamer dweilen”.

Vorige week schreef ze in haar dagboek: “Mijn God, wanneer zullen deze vervloekte dagen om zijn? Het wapenembargo is nog steeds niet opgeheven. Alleen met wapens kunnen we ons verdedigen. Maar dat mogen we blijkbaar niet, we mogen niet existeren. Als we terugkomen zal er niets meer zijn. We zullen niet meer weten waar onze huizen stonden”. Desondanks hebben ze besloten terug te gaan naar Zvornik zodra de winter voorbij is.

Sinds kort werkt een Bosnische vrouw in de keuken van het opvangcentrum. “Van doperwten waar Nederlandse mensen salade van maken die niemand eet, heeft die vrouw "onze' gekookte doperwten gemaakt met "onze' gekookte rijst. Dat was het helemaal.” Op het menu prijkte een paar dagen aardappelpuree op z'n Bosnisch en goulash zoals de bewoners van het opvangcentrum dat thuis gewend zijn te eten. Maar op 19 november schreef ze: “Ze koken ons eten niet meer. Alleen wat hier gangbaar is: sla, aardappelen, harde schnitzels. Natuurlijk volle afvalbakken”.

De plaatselijke discotheek biedt vooral in het weekeinde afleiding. De nacht van 14 op 15 november was het weer raak: “Het was een punk-nacht. We lieten ons allemaal gaan, zoals nooit tevoren. Toen we allemaal begonnen te dansen was er voor de Nederlanders geen plaats meer. Zij denken dat wij boerenkinkels zijn terwijl wij elk liedje kennen, elk ritme, elke dans”.

Ook Nura probeert zoveel mogelijk de dagelijkse sleur te doorbreken. Ze gaat, zij het onregelmatig, naar Engelse les en drinkt wijn met vrienden. Sinds haar verblijf in Nederland is ze verslingerd geraakt aan salami. “Ik ben hier geen moslim”. Steevast zit ze elke avond naast Pasja en Janny voor de televisie. Ze kunnen Kroatië ontvangen en houden pas op met kijken wanneer de laatste nieuwsuitzending is geweest.

Afgelopen dinsdagavond werd er op de deur van hun kamer geklopt. Een jonge Bosniër liet trots zijn pas geboren dochtertje zien. Ze lag gewikkeld in een warme deken. “Ze heet Gerda”. Nura keek niet om. Janny durfde de baby niet in haar armen te nemen. Pasja wel - zij drukte het kleine lichaampje voorzichtig tegen zich aan. In haar ogen blonken tranen. “Het leven gaat door, he?”. “Ja, Pasja, het leven gaat door”.