Ministeries en bedoelingen

DEZE WEEK werd er in de Kamer wederom hier en daar instemmend geknikt toen het plan voor een superministerie werd genoemd. Het gaat om een ministerie voor internationale economische samenwerking. Daarin zouden Economische zaken en Ontwikkelingssamenwerking moeten opgaan. Weliswaar hoeft daarover nu geen beslissing te worden genomen - dat wordt een kwestie voor de volgende kabinetsformatie - maar de discussie erover deze maanden is belangrijk, want er worden geesten rijp gemaakt voor een en ander. NOVIB-secretaris Max van de Berg lanceerde het plan eerder dit jaar in deze krant, Pronk ziet er iets in en naar zijn zeggen Lubbers ook. Nieuw is het plan trouwens niet, want in de dagen van het kabinet-Den Uyl leek het de toenmalige minister Pronk ook al eens een goed idee.

Is het wel zo'n goed idee? Natuurlijk, het klinkt goed, het suggereert integratie en het tilt Ontwikkelingssamenwerking naar een nieuw tijdperk. Maar men zou nog een stap verder kunnen gaan: is het milieu in de rest van de wereld niet buitengewoon belangrijk? Is in arme landen militair ingrijpen soms ook niet verstandig om bloedvergieten en ellende te beperken? Met andere woorden, waarom het superministerie ook niet aangevuld met Defensie en Milieu? En kan Nederland niet ook een staatssecretariaat voor Oosteuropese zaken gebruiken, nu dat gebied voor de stabiliteit van ons continent zo gewichtig is geworden?

DIT IS een karikatuur en zo is het ook bedoeld om aan te geven om welke klassieke valkuil het hier gaat. Goede bedoelingen worden in een organisatorisch model gegoten, de illusie ondergebracht in een gebouw. Beter is om niet meteen als uitgangspunt te nemen waar de wereld mee gediend is, maar wat Nederland zelf denkt nodig te hebben om zijn relaties met de buitenwereld gestalte te geven. Dat is om te beginnen een vermindering van de interne verwarring en externe onduidelijkheid. Zo is het op dit moment eigenlijk onduidelijk of de Nederlands-Indonesische betrekkingen onder de ene of de andere minister vallen. En als ze onder de ene bewindsman vallen, wat is dan de rol van de andere bewindsman? Zo is het evenmin duidelijk of een Nederlandse premier vrijelijk zijn gang kan gaan in de contacten met zijn collega's binnen de EG of dat de minister van buitenlandse zaken een voet tussen de deur houdt? Zo is het evenmin duidelijk in hoeverre de staatssecretaris voor Europese zaken een politieke functie bekleedt dan wel ambtelijk uitvoerder is van kabinetsbeleid of van buitenlands beleid?

OM ENIG gewicht in de schaal te leggen is het voor een klein land in elk geval verstandig om met één stem te spreken in het buitenland. De positie van de premier in de Europese Gemeenschap moet een sterke zijn en het is bij een volgende formatie zaak om dit voldongen feit niet alleen te accepteren, maar ervan te profiteren. Hem en de gehele regering staat de minister van buitenlandse zaken ten dienste. Die bewindsman heeft een formele, institutionele rol in de EG-verdragen en hij coördineert. Zo is het in de meeste EG-landen geregeld en het is voor de buitenwereld duidelijk.

Een speciaal ministerie van ontwikkelingssamenwerking is eerder een demonstratief gebaar dan een evidente noodzaak. Sterker nog, de verleiding om ontwikkelingsgelden te steken in allerlei bilaterale projecten met de nationale driekleur in top in plaats van internationale organisaties te steunen en het werk te laten doen, wordt alleen maar groter wanneer een bewindsman en een apparaat op de been worden gehouden. Het rondpompen van geld met hoge verwachtingen en geringe resultaten zou kunnen worden beëindigd. Als een politieke meerderheid behoefte voelt om via de collectieve middelen de nationale compassie voor arme landen te tonen, dan kunnen uit de collectieve middelen organisaties worden gesteund die goed werk doen. Die zijn er gelukkig voldoende, ook in Nederland. En overigens zijn internationale instellingen en VN-hulporganisaties geschikt om in bepaalde landen iets voor elkaar te krijgen, c.q. af te dwingen.

HET DEPARTEMENT van economische zaken heeft in het buitenland een functie. Ten eerste binnen de Europese Gemeenschap, waar de bewindslieden beleid afstemmen en ten tweede daarbuiten via de bilaterale handelsverdragen. Dat doet een staatssecretaris die omwille van de entree zich buitengaats minister mag noemen en het werkt redelijk goed. Het gaat vooral om dienstverlening, niet om buitenlands beleid in de eigenlijke betekenis en voor zo'n aspiratie is daar ook niet de plek.

Een verantwoordelijk premier en een ondergeschikte, coördinerende minister van buitenlandse zaken - met zo'n ordening en zelfbeperking is Nederland gediend. Het dwingt tot prioriteiten en is voor de buitenwereld overzichtelijk.