Koningschap is verwerpelijk instituut

“Het is uit pedagogische, principiële, historische en humanitaire redenen gewenst dat in Nederland de republikeinse staatsvorm wordt hersteld”, met deze stelling sloot ik het stuk af dat onder de kop "Een van de monarchale fossielen' in deze krant op 5 november verscheen. De vier motieven waren in de aanloop van de these geschetst: pedagogisch is het koningschap ongewenst omdat het aankomende staatsburgers opzadelt met een symbool dat haaks staat op de idee van democratie. Principieel is de monarchie als mythe de ongeschikste vorm die voor een moderne staat denkbaar is. Humanitair is het koningschap een verwerpelijk instituut, omdat het medemensen van koninklijken bloede onmogelijke rollen voorschrijft - Van Wijnens recente studie over de prins-gemaal heeft deze these nog eens bevestigd. Historisch is er juist voor de Lage Landen reden om te koketteren met het feit dat "wij' vier eeuwen geleden de voorlopers waren van de moderne staat door uit te komen zonder een vorst.

Internist Van der Burg gaat in zijn "Nederlandse monarchie allerminst een fossiel' van 19 november voorbij aan mijn opvoedkundige, fundamentele en menslievende bekommernis. Hij beperkt zich tot historische argumentatie. Mijn pleidooi voor het herstel van de republikeinse staatsvorm is door deze orangist gelezen als "het curieuze voorstel' om de Republiek van de Zeven Verenigde Nederlanden weer in het leven te roepen. Weet ik dan niet dat die republiek allerminst een democratie was? Maar natuurlijk: alle eerste republieken waren oligarchisch, van de Noorditalische stadstaten tot de grootste moderne democratie, de Verenigde Staten, en la République toe. De Romeinse staat, die de wereld het concept van de res publica heeft geschonken, was allesbehalve een regering voor en door het volk. Geschiedenis is een onuitputtelijke ladenkast van argumenten, maar het is voor de zuiverheid van discussie wel zaak laatjes uit dezelfde chronologische rij open te trekken. Ik neem bijvoorbeeld niet aan dat Van der Burg met zijn apologie een wederinvoering van het absolute koningschap beoogt.

Wel toont hij, onbedoeld, perfect aan hoe fossiel de monarchie in Nederland is. Hij schetst namelijk hoe de kostelijke genen van Willem van Oranje voor de Nederlandse natie behouden zijn, en nog wel via de mannelijke èn de vrouwelijke lijn. Nederland is waarlijk het organischeèn mystieke lichaam van de Oranjes.

Zo'n curieus pleidooi voor de Oranjemonarchie is onder intellectuelen inmiddels zeldzaam. Menig orangist zal dan ook uitroepen: "non tali auxilio' (niet met zùlke steun). Doorgaans weigert het doordenkende deel van de natie zich gedachten te vormen over onze bizarre staatsvorm. Daartoe geprest doet de Nederlandse intellectueel de zaak lacherig of gegeneerd af met pragmatische argumenten: het systeem werkt toch wel aardig... ach, het heet dat Beatrix een alleraardigst mens is... de oranjefranje geeft Nederland toch maar een fraaie exporttroef. Het "toch' en "ach' is niet van de lucht als de monarchie in het geding is. Er moeten meer jongetjes komen die uitroepen dat zowel de oude als de nieuwe kleren van de keizer niet bestaan.

De gewraakte verontschuldigende ondertoon trof mij in de plichtmatige jubelzangen die Lubbers, Tjeenk Willink en Kossmann aanhieven toen "wij' onlangs het dofmetalen ambsjubileum van Beatrix vierden: plaatsvervangende schaamte maakt zich meester van de lezer die kennis neemt van de geestesprodukten van die notabelen. Een mythe als de monarchie is echter per definitie niet te verdedigen: op het moment dat men zich daartoe voelt gedrongen, heeft men haar innerlijk al afgeschreven. Daarom kan men Sinterklaas niet verdedigen: men gelooft of men gelooft niet. In de antieke wereld hebben intellectuelen die de godsdienst persoonlijk achter zich hadden gelaten, wel geprobeerd de religie als zinnig instituut voor te stellen, omdat zij maatschappelijke normen in stand hield. Deze "theologia civilis' (nog door Machiavelli op het christendom toegepast) is uiteindelijk even onhoudbaar als een "monarchologia' civilis. Het koningschap is een irrationele instelling die een staat van weldenkende burgers niet past.

Het was niet alleen de ergernis over de gênante lofredes bij het koperen ambtsjubileum die mijn sluimerende republikeinse instincten wakker maakten. In dit semester geef ik voor eerstejaarsstudenten geschiedenis een collegereeks over vroege staatsvorming. Dit nu is één van de aantrekkelijkheden van de oudheid: zij heeft vele primeurs die uitnodigen na te denken over archetypen van menselijk gedrag, waaronder de "politiek'. Waarom heeft de primitieve staat alleen kunnen bestaan door een vorst op te laden met majesteitelijkheid? Strijdknotsen worden scepters. Helmen botten uit tot kronen. De vorst wordt op een ongemakkelijke zetel gepoot, krijgt een verstikkende hermelijnen mantel aan en noemt zich "wij', in het majesteitelijk meervoud: alles werd en wordt gedaan om de medemenselijkheid van de monarch te maskeren.

Dezelfde oudheid die keizers en koningen aan hun legitimatie en attributen hielp, heeft echter ook de prototypen van menswaardige staatkundige systemen ontwikkeld. Nemen we Kleisthenes als initiator, dan herdenken we dit jaar het 2500-jarig bestaan van de democratie. Res publica is een even oud en even produktief concept. Dit werd opgepikt door onze voorouders die na aanvankelijke aarzeling de driestheid hadden om na het afzweren van Filips II hun staat te voorzien van het trotse predikaat republiek. Daarom toont een Nederlander niet alleen rationaliteit, maar ook historisch besef als hij zijn republikeins credo belijdt.