Is gebarentaal voor doven een volwaardige moedertaal?

Le pays des sourds, zondag, Ned.3, 22.50-0.25u.

Viva la parole, leve het gesproken woord! Dat was, in het Milaan van 1880, de slotsom van het "Wereldcongres ter verbetering van het welzijn van doofstommen'. De congresgangers hadden unaniem vastgesteld dat ook dove mensen meer baat zouden hebben bij gesproken taal dan bij gebarentaal. Op deze wijze zouden de stakkers ook makkelijker een plekje kunnen vinden in de horende wereld. Decennia lang was het gebruik van gebarentaal op dovenscholen eenvoudigweg dan ook verboden.

Pas in de jaren zestig kwamen wetenschappers er schoorvoetend achter dat gebarentaal misschien wel beschouwd moest worden als een volwaardige moedertaal en dus als het meest geëigende communicatiemiddel van dove mensen. Inmiddels werpen de taalwetenschappers aller landen zich dankbaar op de grammatica van de honderden gebarentalen die men op de wereld aantreft. Aan variatie is geen gebrek, want - anders dan menigeen denkt - een universele gebarentaal bestaat niet. Alleen al Nederland kent een vijftal dialecten.

Op dovenscholen mag men tegenwoordig weer gebaren maken, al zijn lang niet alle autoriteiten het daarmee eens. In Frankrijk, bijvoorbeeld, moet nog immer strijd geleverd worden om kinderen op zijn minst tweetalig te onderwijzen, zo vertelt een dove gebarentaaldocent in Le pays des sourds, de Franse documentaire die zondag bij de VPRO te zien is. Regisseur Nicolas Philibert heeft zijn film allerminst opgezet als een pamflettistisch pleidooi voor de erkenning van gebarentaal, maar hij maakt en passant wel duidelijk dat dove mensen in de eerste plaats beschouwd moeten worden als een culturele minderheid met een eigen taal en pas in de tweede plaats als een groep mensen met een specifieke handicap.

Ontspannen en zorgvuldig observeert de documentaire de wereld van enkele dove Fransen. Veel aandacht gaat uit naar het spraakonderwijs aan jonge kinderen. De moeizaamheid daarvan staat in schril contrast met het gemak waarmee je diezelfde kinderen, al gebarend, met elkaar ziet communiceren tijdens de lunch of bij een optreden van de Kerstman. Een verademing zijn ook de vraaggesprekken waarin jonge Fransen verslag doen van hun vroege, vaak schrijnend geïsoleerde jeugdervaringen. Als vanzelfsprekend ontvouwen zij hun getuigenissen in gebarentaal. Ten behoeve van de horende televisiekijker worden ze overigens keurig ondertiteld.

Maar Le pays des sourds sluit allerminst zijn ogen voor de alledaagse werkelijkheid die men nu eenmaal niet pleegt te ondertitelen. We zien hoe de toch al onbeholpen onderhandelingen tussen een drietal doven en een aanstaande huisbaas hopeloos stranden in begripsverwarring over de stookkosten. En na afloop van de documentaire galmen, hoezeer je er ook van overtuigd bent dat doven recht hebben op hun eigen taal, toch de vermaningen door van de hoofdonderwijzer die niet echt te spreken was over de vorderingen van een van zijn jonge pupillen. Het jochie moet volgend semester beter zijn best doen: "il faut parler'.