Iedereen doctorandus (6)

Kunnen we eerst een kleinigheid afspreken? Het is al lastig genoeg over hoger onderwijs en onderzoek met een minimum aan prestige-stoornissen van gedachten te wisselen. Daarbij helpt het om niet iedere keer nieuwe onzinwoorden te hoeven leren. Misschien is het in dat verband mogelijk het voortaan niet meer te hebben over macrodoelmatigheid, zwaartepuntvorming en studeerbaarheid.

Die gekke woorden verzin ik niet. Het zijn de tovertermen uit het voortmalend windmolenpark van het Zoetermeerse universitaire beleid. Met een bleke verwijzing naar de wens van de wetgever heeft minister Ritzen de Colleges van Bestuur dezer dagen opgevrolijkt met een laat twintigste eeuwse oprisping van schoolmeesterij voor wetenschappelijk gebruik. Die brief, ter voorbereiding van zijn "bilaterale overleggen' met alle universiteiten, draait om deze heerlijkheden.

De nieuwe sleutelwoorden zijn slechts uitingen van de laatste modes, maar wie niet mee doet, zal het voelen. Nu het ministerie nagenoeg geschoond is van mensen met een geheugen dat verder teruggaat dan deze kabinetsperiode steekt kennelijk niemand zijn vinger op als de bewindsman in zijn tweejaarlijkse "gesprek' met de universiteiten een nauwelijks gemaskeerde toon van dirigisme aanslaat. Met "besturen op afstand', een vorige leuze, heeft dat niet veel te maken.

Het is nog maar een concept-stuk, maar de mentaliteit is duidelijk: helaas moeten wij overhoren of u onze eerdere directieven vrijwillig naar behoren heeft opgevolgd. En dat terwijl het hoger-onderwijsbestel uit zijn voegen barst en dringend behoefte heeft aan bevrijding uit de knellende banden van te veel pretenties en te weinig erkenning van de realiteit.

Het is niet de schuld van de minister dat Nederland te veel van zijn universiteiten wil en er te weinig voor over heeft. Het is wèl aan de minister de problemen doorzichtig te maken, doordacht te werken aan het slechten van taboes. Zoals het niet zijn taak is als een regeltechnicus aan allerlei knoppen te draaien zonder zichtbaar te maken hoe het geheel van tegenstrijdigheden daarmee wordt opgelost.

De minister kan wel verdedigbare redenen hebben om geld te persen uit studenten en wachtgelders, maar het blijft sleutelen. In een tijd waarin de principes echt opnieuw overdacht en geformuleerd moeten worden. Met brieven als die van vorige week aan de universiteiten wekt hij de indruk met de middelen van de econoom allerlei arbitraire wijzigingen te willen doordrukken.

Een voorbeeld? Internationale contacten van studenten en universitair personeel worden toegejuicht, dat is in bij de minister. Goed idee. Wie wel eens een minuut binnen een universiteit heeft rondgekeken weet dat het op de meeste plaatsen absoluut onmogelijk is voor 230 gulden een congres in Leuven te bezoeken zonder bij het blokhoofd negen maanden van te voren een aanvraag in zesplo te hebben ingeleverd, compleet met te verwachten citeer-succesjes. Maar daar gaat het nu niet om.

Jo Albedil slaat toe bij het veroordelen van bestaande internationale contacten die “vanuit het verleden veelal beïnvloed (zijn) door individuele werkrelaties..”. (Ja, toen werd de wetenschap nog door individuen bedreven, hoe was het mogelijk.) Dat is niet goed voor de continuïteit, schrijft de minister, want continuïteit kan een positieve invloed op de kwaliteit hebben. “De inspanningen van de universiteiten zullen er daarom met name op gericht moeten zijn de werkrelaties in de universitaire structuur in te bedden.”

Je ziet het al voor je. Weer een nota en een commissie. Wetenschapsbeoefenaars die wat voorstellen, zullen zich gelukkig weinig aantrekken van dit soort luchtfietserij. De enige reden om er toch even bij stil te staan, is dat het precies de verkeerde richting is. Als de universiteiten en de mensen die er werken en studeren weer adem moeten gaan halen, dan zal dat alleen lukken bij minder van dit soort verplichte groepsspontaneïteit. Onderzoek per commissie is in sommige vakken heel gewoon, in andere funest. Daar moet een minister dus geen drilnorm voor verzinnen.

Wanneer gaan de mensen die beleid moeten maken eens de voorwaarden scheppen waaronder academische docenten en onderzoekers nuttig werk kunnen doen? In het terechte vertrouwen dat zij voor het merendeel geen uitbuiters en nietsnutten zijn? Dan mogen zij er best bij zeggen wie wel en wie niet het etiket "wetenschappelijk' mag en moet waarmaken. Dan mogen kwaliteitseisen worden gesteld, waar afnemers op kunnen rekenen.

De enig mogelijke weg naar bevrijding van alle opgekropte en weggedrukte energie is namelijk die van de erkenning van verschillen. Tussen mensen, tussen talenten, tussen ambities, tussen de kwaliteit van instituten, faculteiten en universiteiten. Zodra de fictie wordt afgeschaft dat alles en iedereen het hetzelfde is, komt er ruimte voor oplossingen. Als erkend mag worden dat de vraag naar hoger onderwijs zeer uiteenlopend is, en het aanbod gelukkig ook, kan een heleboel flauwekul worden losgelaten.

Het doet er niet toe of een bepaalde hogere opleiding aan een universiteit of hogeschool wordt gegeven, als ie maar goed is, waar voor zijn geld biedt en overeenkomt met het geadverteerde pretentie-niveau. Hogescholen voortaan universiteit noemen, lost wat dat betreft niets op. Er is ook niet veel tegen, maar het mist de kern van het probleem.

Waar het om gaat, is dat de universiteit als pseudo-uniforme leverancier van inflatiegevoelige titels verdwijnt. Zij zijn groot en eigenwijs genoeg om een eigen gezicht te laten zien. Dat is in Engeland en Amerika een aspect van het hoger onderwijs dat werkt: als zij willen kunnen studenten (en docenten) er achter komen wat waar het beste is. En zij knokken om daar terecht te komen. Daardoor wordt de ene school beter dan de andere, als ie het al niet was, met alle nuttige gevolgen voor de wetenschap en de arbeidsmarkt van dien.

De tweefasenstructuur in dit land was een poging licht-wetenschappelijk en echt-wetenschappelijk onderwijs te scheiden. Daar is betrekkelijk weinig van terecht gekomen. De eerste fase moest in die krappe vier jaar voor relatief weinig geld steeds meer mensen rondpompen. Omdat selectie bij de ingang taboe was en bleef, werkte de hele eerste fase als een langdurige en kostbare zeef- en verwijsperiode. Zo bleef voor de tweede fase niet genoeg geld over.

Ontregeling en ontzoetermering zal universiteiten en hogescholen dwingen te laten zien wat zij waard zijn. Dan kunnen zij aan studenten ook de prijs vragen die zij waard zijn. In plaats van het steeds verder verziekte systeem van studiefinanciering kunnen we maar beter teruggaan naar een ronde beurs voor wie haar echt nodig heeft.

    • Marc Chavannes