HOOFDSTAD DER BUCOLISCHE ILLUSIES

Arm Brussel door Geert van Istendael 251 blz., geïll., Atlas 1992, f 34,90 ISBN 90 254 0054 X

Ach, Brussel. Iedere morgen stap ik de deur uit en kijk in de verbaasde smoelen van de drommen Euro-forenzen die zich langs mijn woning naar Commissie, Raad of Parlement spoeden. ""Wònen er hier dan mensen?', staat op de ochtendgezichten geschreven. Inderdaad, midden in het EG-kwartier vol kantoorkolossen, autotunnels en bouwkranen zijn nog twee woonblokken over, waar ouderwetse herenhuizen met tuintjes stand houden. Deze straten, de Rue Pascale en de Rue de Toulouse, worden door schrijver/journalist Geert van Istendael uitvoerig behandeld in zijn jongste boek Arm Brussel, een waardig opvolger van Het Belgisch Labyrinth. In dat boek werd België op onovertroffen wijze geanalyseerd als cultuurfenomeen en levenshouding - een toren van Babel vol taalstrijd en anachronismen die van de "Belgen' een van Europa's meest in zichzelf verdiepte volkeren maakt.

Arm Brussel is een lofzang op een door de vooruitgang getormenteerde wereldstad. De stad is geheel gebouwd op de vlucht naar het Vlaamse en Waalse achterland. Metro's, trams, stadsautowegen, treintunnels - alles is gedaan om maar weg te kunnen komen. Naar de suburbia met hun Amerikaans ogende "Strips' waar de Hamburgerkoning, de traiteur, de grasmaaimachine-dealer en de hondendokter in eindeloze neon-deining voorbijtrekken. Weg uit Brussel, naar de vlakke Vlaamse provinciedorpen met hun lintbebouwing van burgermans-villa's - in baksteen verstilde dromen van geluk. Meestal met de hele familie zonder overheidshinder opgebouwd, met nonkel Guido voor de materialen en bompa voor een goedkope bouwkavel. De living groot genoeg om het halve dorp binnen te kunnen laten bij de communie van de jongste.

Weg ook uit Brussel naar het Waalse achterland. Weg van de klerikale Vlamingen met hun verdachte nationalisme die stilaan parlement en Staat hebben overgenomen. Weg uit "l'Etat Belgo-Flamand' naar het nieuwe eigen domein, la Région Wallonne, met een eigen hoofdstad Namur en een eigen Monsieur le Président. Naar de bescherming van de eigen taal, naar "le terroir', het deinende landschap met bossen en beken, waar de Waal een persoonlijke band mee voelt. Le terroir: dat is landbouw, delfstof, industrie - de geur van steenkool, ijzer en glas. Brussel is daarentegen van niemand. Brussel is van de macht en het geld. Om één keer per week naar toe te reizen, om zaken te doen en lekker te eten. Maar niet om er te wonen.

RATTENPLAAG

Van Istendael schrijft over mijn buurhuis, een prachtig Gothisch-Vlaams renaissance paleisje uit 1910 van de schilder Parmentier met de oer-Brusselse gevelsteen ""Aze ick kan', dat al jaren leegstaat. De projectontwikkelaars zagen er liefst een kantoorgebouw voor in de plaats. Regelmatig word ik op straat aangesproken door zakentypes die taxerend de bebouwing opnemen en naar de vraagprijs informeren. Aan de "kop' en "staart' van beide straten zijn de huizen al opgekocht - naar standaard Brussels recept worden de ruiten ingeslagen en het dak vernield. Binnen korte tijd is het interieur een vuilnisbelt en ontstaat vanzelf een rattenplaag. Waarna de gemeente in wanhoop de eerste de beste bouwer een vergunning geeft.

Bijkans brakend citeert Van Istendael uit het boekje Washington aan de Zenne, waarin de sloop van beide straten wordt bepleit. De gehele EG kan er dan in een ""mono-funktionele administratieve zone' worden opgesloten, onder meer in de te bouwen 420 meter hoge "Monnet-tower'. Het zou me niet verbazen. Om de hoek heeft een aannemer reeds een bouwkrater geslagen waaruit een betonkolos verrijst, bedoeld om de Raad van Ministers te huisvesten. Het wordt een gebouw van cyclopische afmetingen, geschikt voor een EG van wel 24 lidstaten, bijgenaamd de Pyramiden van Delors.

Op een buurtvergadering trof ik eerder dit jaar twee totaal verzenuwde dametjes uit een belendend perceel, die zeiden het gedreun van de betonmolens niet meer aan te kunnen en hun pand te zullen verkopen. Uit de vergadering steeg een luid protest op. Ieder huis dat vrijkomt, is immers een prooi van de kantoorboeren. Het was een bijeenkomst van frontbewoners in de strijd tegen de speculatiepatsers.

Arm Brussel plaatst de megalomane vastgoedridders van vandaag in historisch perspectief. Het kolossale Justitie-paleis werd eind 19de eeuw met evenveel minachting voor de omgeving in de Marollen-wijk neergepletterd. Tot de dag van vandaag kreunt de volkswijk onder het gedrocht dat volgens de toenmalige minister van Justitie ""le seul du XIXe siècle' moest worden, het enige gebouw van de 19de eeuw.

Op even ongeproportioneerde manier is in de Leopold-wijk een "congresgebouw' in oprichting, waarvan buiten de Franse president iedereen aanneemt dat dit de nieuwe permanente vestiging van het Europese Parlement zal worden. Boven het klassieke Gare Luxembourg torent nu een spiegelglazen kolos met het vermoedelijk hoogste atrium van Europa. Zo te zien groot en hol genoeg om als klankkast voor de Europese breedsprakigheid te kunnen dienen.

JUBELPARK

Leopold II was vorige eeuw zo trots op het vijftigjarig bestaan van België dat hij het bescheiden genaamde Jubelpark liet aanleggen, vijfentwintig jaar later gevolgd door een mateloze triomfboog, bekroond met giga-vierspan. Met gelijke voortvarendheid groef een volgende generatie er weer een autotunnel onder door. Wie via deze route deze stad in rijdt raakt zijns ondanks geïmponeerd en in verwarring. Zoveel vanzelfsprekende trots en grandeur! Hoe kan een burgerlijk, corporatistisch land, met een stijf koningshuis, een verdeeld volk dat al decennia vergadert over scheiding van tafel en bed, de hoofdstad van de Architectonische Zelfoverschatting zijn geworden?

Van Istendael legt het allemaal uit, waarbij de aanduiding "aanstekelijk' nog te zwak is. De auteur vraagt zich ergens in een bijzin af of hij wellicht ""bucolische illusies' koestert over zijn stad. Het antwoord is vermoedelijk ja. Het boek lijkt in één keer opgeschreven, met een accu vol woede en liefde voor Brussel als krachtbron.

Aan geld- en machtarchitectuur van gisteren en vandaag biedt de stad een weelde aan culturele tegenspraak. Habsburgse prachtpaleizen, 17de-eeuwse gildegevels - van de burgerlijke versierkunst volgens de Art Nouveau, in Brussels dialect "style poelink' (palingstijl) geheten, tot de heldere deconstructies van de schilder Paul Delvaux. In Brussel kan alles. ""Is het toeval dat Delvaux een surrealistisch schilderij kan maken louter en alleen door een nachtelijk, Brussels voorstadsstation te schilderen precies zoals het was'? vraagt Van Istendael zich af. Nee natuurlijk. Geestelijke ontwrichting is nooit ver in deze stad van kunstwerken uit de Jugendstil die uitkijken op zes-baans stadsautoriolen. Brussel is de hoofdstad van het meest irreële land ter wereld, waar het mooiste café ""De Ultieme Hallucinatie' heet en het lekkerste bier Mort Subite.

Van Istendael plaatst Brussel als van oorsprong Vlaamse stad overtuigend in de Nederlandstalige (Brabantse) traditie. Het Nederlandstalige gelijk in het debat over de oorsprong van de stad en haar taal wordt overigens wel erg gedetailleerd uit de doeken gedaan. Maar dat zij de auteur graag vergeven. Nederlands is in Brussel weliswaar een officiële taal, maar geen vanzelfsprekende. De Nederlandse immigrant begint er blijmoedig z'n Frans te oefenen totdat de Vlaamse Brusselaar hem dat hardhandig afleert. Heulen met de francofonen is voor een Nederlandstalige cultuurverraad. Van armendialect dat tot begin deze eeuw door de meerderheid werd gesproken, is Nederlands in Brussel geëmancipeerd tot zelfbewuste bestuurstaal voor een minderheid-in-opkomst.

Het Nederlandstalig onderwijs in Brussel doet het goed - de Franstaligen beseffen dat tweetaligheid essentieel is geworden om in het Nederlands-gedomineerde België vooraan te komen. Zelfs het racisme helpt de Nederlandse taal een handje - migranten-kinderen bezoeken in hoofdzaak het cultureel meer verwante Franstalig onderwijs, waardoor de elite vlucht naar de Vlaamse scholen. Het leidt bij de migranten zelf overigens tot regelrechte afkeer van het Nederlands - de taal van het Vlaams Blok, van de rassevijand.

BRAVOURE

Voor het overige ging het in Brussel met het Nederlands nooit beter dan nu. Van Istendael schrijft dat ""een grote vriendelijkheid, ja zelfs achting voor het Nederlands door de straten waart'. Ik kan het bevestigen - na een hakkelend Frans begin spreek ik hier Nederlands met bravoure en krijg altijd antwoord. Van de Vlamingen met een bondgenootschappelijke knipoog en van de francofonen met een aandoenlijk accent.

De echte gelijkmaker in Brussel is echter het Brussels dialect, een mengsel van zwaar Brabants en Frans. Wie kan "zwanzen' overschrijdt alle grenzen. Van Istendael vertelt het bekende verhaal hoe de tekenaar Hergé zijn stripheld Kuifje op diens exotische bestemmingen onveranderlijk Brusselaars tegen het lijf deed lopen. In De Scepter van Ottokar bijvoorbeeld blijkt de wapenspreuk van Syldavische koning Ottokar IV ""Eih bennek, eih blavek' te luiden - ""hier ben ik, hier blijf ik' in het Brussels dus.

Ach Brussel, universele stad, lelijke stad, talenstad, burgermansstad - eigenlijk is Arm Brussel te dun.