Het Parijs van La Bohème

Parijs in de vroege jaren 1830, de tijd waarin Puccini's opera La Bohème is gesitueerd, leek nog nauwelijks op het Parijs dat wij nu kennen. Ja goed, de Seine stroomde ook toen al door de stad. De Notre Dame was er natuurlijk en de Sainte Chapelle, dat gotische kroonjuweel, en de Conciergerie, waar Marie-Antoinette, de weduwe van Lodewijk de Zestiende, een halve eeuw eerder gevangen had gezeten voor ze stierf onder de guillotine.

Maar verder? De Arc de Triomphe ter ere van de overwinningen van Napoleon was nog in aanbouw en werd pas voltooid in 1836. De Champs Elysées was een lommerrijke laan in een bos met wat uitspanningen. Het Tuilerieënpaleis stond nog, dat zou pas tijdens de Commune-opstand in 1871 in brand worden gestoken. Grote delen van het Louvre moesten nog worden gebouwd. Ook de Opéra, het Châtelet en de meeste bruggen over de Seine waren er nog niet. Aan de Sacré Coeur bovenop Montmartre zou pas veertig jaar later worden begonnen.

Na 1853, toen baron Haussmann prefect werd van Parijs, werden decennia lang grote delen van Parijs afgebroken en herbouwd langs de nieuwe brede boulevards. Het Parijs van de eerste helft van de vorige eeuw was een nu vrijwel verdwenen stad, vooral een goed te verdedigen vesting. Tussen 1841 en 1845 werd nog een nieuwe stadsmuur gebouwd, met wallen, bastions en tientallen poorten. De derde acte van La Bohème, de beroemde scène in de sneeuw, speelt bij zo'n stadspoort: de inmiddels al weer lang verdwenen Porte d'Enfer.

Binnen die vestingmuren was de stad armelijk, oud, rommelig en dichtbebouwd langs smalle straten. Het is dát Parijs dat de woonplaats was van de bohémiens, wier levenswijze werd beschreven door Henry Murger in Scènes de la vie bohème, die tussen 1845 en 1849 in het blad Le Corsaire verschenen. La Bohème begint op een kerstavond omstreeks 1830, wanneer Rodolfo Mimi ontmoet, en eindigt in het daaropvolgende voorjaar, als zij sterft aan de tering. Mimi had zich zo verheugd op dat voorjaar: de winterse liefdesproblemen met Rodolfo zouden voorbij zijn bij het aanbreken van het seizoen van de bloemen.

De bohémiens waren kunstenaars, althans dat meenden zij te zijn. De rest van Parijs dacht daar anders over en soms leken ook de bohémiens zelf afstand te nemen van hun kunst. Als de dichter Rodolfo in het begin van La Bohème het ijskoud heeft, verbrandt hij een lijvig manuscript. “Mijn drama, mijn vurig drama zal ons verwarmen.”

Rodolfo is natuurlijk Murger zelf. Hij, de schilder Marcello, de filosoof Colline en de musicus Schaunard, voor wie Murgers vrienden in de Scènes model stonden, leefden van de hand in de tand. Het meisje Mimi is als enige hun kunst toegewijd. Zij lijdt aan de tering en met haar koude handjes borduurt zij bloemen, het liefst rozen en lelies. “Ik ben dol op alle dingen die zo'n zachte betovering hebben, die van liefde en lente spreken van dromen en hersenschimmen... al wat men poëzie noemt... Begrijpt u?”

De bohémiens woonden toen nog in het studentikoze Quartier Latin, op de Rive Gauche. Pas later zouden ze zich verplaatsen naar Montparnasse en tot ver in deze eeuw werden ze nagevolgd. Wie weet niet dat men Sartre en Beauvoir kon vinden in La Coupole? Uit de hele wereld trok men naar Parijs om juist daar roem te verwerven. Alleen Oscar Wilde kwam na zijn gevangenisstraf in Engeland wegens homoseksualiteit naar Parijs om daar in vergetelheid te sterven. Maar Strawinsky, Scott Fitzgerald, Picasso, Hemingway en vele anderen kregen erkenning en zo werd Parijs alsnog de wereldhoofdstad van de schone kunsten.

Montparnasse is geen berg of heuvel, zoals Montmartre. Die naam - de berg Parnassus waarop in het oude Griekenland Apollo en de muzen verbleven - was een scheldwoord, afkomstig van de bourgeoisie die de bohémiens bespotte. De hoon was dubbel ironisch omdat de bohémiens hun kunst niet vanaf een hoogte aan de wereld toonden. Ze reciteerden hun dichtsels in een reusachtige kuil, een schaars begroeide verlaten groeve waaruit eeuwen lang de stenen waren gedolven waarmee Parijs was opgebouwd. Zo begroeven de bohémiens in Montparnasse hun miskende kunst. De Parijse kunstberg was er een in het negatief: een diepe grafkuil voor dromen en hersenschimmen ... al wat men poëzie noemt.

Dankzij het boek van Murger werden de bohémiens zelf onsterfelijk, hun kunst niet. Wie mist nu Marcello's schilderij De Rode Zee of het verbrande vurige drama van Rodolfo, het idee dat in vlammen opging dankzij de vonk van het genie? En in de opera La Bohème worden we meer beroerd door het treurige lot van de tuberculeus hoestende en kouwelijke Mimi dan door de miskenning van de kunstenaars. Wat ons aan het slot doet wenen is de tragiek van Mimi als stervende muze van de levenskunst.

Mimi is de personificatie van de slotzin van Goethe's Faust: “Das ewig weibliche zieht uns hinan.” Haar personage is een vrouwelijk archetype dat daarom ook alweer snel kon worden herhaald door Alphonsine (ook Marie) Duplessis. Zij werkte zich op van een provinciaalse analfabete en kindhoertje tot de ook intellectueel presentabele favoriete van de Parijse démi-monde, ze trouwde een baron en had een verhouding met Liszt. Alexandre Dumas verhaalde van zijn kortstondige liefde voor haar in La Dame aux Camélias, door Verdi omgewerkt tot La Traviata - de eerste fel-realistische opera met een kuchende sopraan. Marie Duplessis (Violetta in de opera) woonde aan de overkant van de Seine, op de sjiekere Rive Droite, waar het leven zoveel mondainer was dan op de Rive Gauche van de bohémiens. Violetta bezingt echter ook haar eenzaamheid in “deze dichtbevolkte woestijn, die Parijs heet.”

Op 3 februari 1847 overleed Duplessis, net als Mimi aan de tering en even oud, 23 jaar. Haar graf - een marmeren doodskist op een sokkel - bevindt zich op Montmartre. Verderop liggen ook de schrijvers die Duplessis en Mimi met hun kunst vereeuwigden: Dumas en Murger. Mimi zit daar neergevleid op de grafzerk van Murger en strooit er bloemen op: rozen en lelies.