Het bevroren hart van de Balkan; In Macedonië volgen de rampen elkaar op

Geen olie, geen benzine, internationaal isolement, verlies aan afzetmarkten, stijgende werkloosheid, een nijpende vluchtelingenaanwas. Het zijn maar een paar problemen waarmee Macedonië, wel iets gewend als het om rampen gaat, worstelt. Europa? Wat Europa betreft kunnen twee miljoen Macedoniërs doodvriezen.

Skopje is een stad van rijen auto's. De rijen beginnen opeens, langs de straat, ze slingeren zich rond bochten, langs pleinen, ze houden even op bij de bruggen over de bruine, kolkende Vardar, maar aan de overkant gaan ze weer verder, straten lang, boulevards lang, kilometers lang. Aan het eind staat onveranderlijk een pompstation waar niets gebeurt: het hele wagenpark van Macedonië staat langs de weg.

Hari Kostov is economisch adviseur van de Macedonische regering. Hij haalt de schouders op. De Griekse boycot: geen olie, geen benzine. Dat van dat wagenpark is nog niet het ergste, zegt hij, erger is dat de fabrieken hun produktie moeten staken en dat er geen verwarming is, niet in de huizen en kantoren, maar ook niet in de ziekenhuizen en de vluchtelingenkampen.

Hij zoekt in een map, haalt een brief te voorschijn, een telex-boodschap, in schooljongens-Engels. De afzender is geen schooljongen maar de Britse minister van buitenlandse zaken, Douglas Hurd, en de geadresseerde is de president van Macedonië, Kiro Gligorov. ""Dear President'' staat er, ""dank u dat u naar Londen bent gekomen, donderdag. We hadden een nuttig gesprek. Ik zei dat ik in contact zou blijven over het beleid van de EG ten aanzien van Macedonië.''

Hari Kostov streept een zin in de telex-boodschap aan: ""We hebben de Griekse regering de verzekering gevraagd dat goederen vrij de grens over kunnen. Die is ontvangen.'' En dat klopt niet, zegt Hari Kostov. Hij wijst naar de lege straat buiten, en naar de zee van geparkeerd blik. ""Het klopt niet, we krijgen al drie maanden geen druppel olie meer uit Griekenland. Onze bevoorrading verloopt al tientallen jaren via Thessaloniki, maar de Grieken houden nu alles tegen, zelfs de 80.000 ton olie die we al hebben betaald. De Griekse grens zit potdicht.'' Hij lacht. ""Je zal zien, als die olie ooit wordt geleverd, doen de Grieken er een rekening bij voor de opslag.''

Reeks van rampen

Wie vandaag naar Macedonië gaat, kan er getuige zijn van het afsterven van een land, van de afbraak van een economie. Macedonië, de meest zuidelijke van de Joegoslavische republieken, de armste en de meest onbekende, is getroffen door een reeks van rampen, waarvan de volgende steeds harder aankwam dan de vorige.

Het begon in 1989 en 1990, toen de noordelijke republieken Slovenië en Kroatië weigerden nog langer mee te betalen aan het solidariteitsfonds voor de economische ontwikkeling van de zuidelijke republieken. Dat kostte de Macedoniërs dertig procent van hun investeringsgeld. Het was nog maar het begin. Joegoslavië viel uiteen en raakte in oorlog. Macedonië verloor zijn afzetmarkten in Kroatië, Slovenië, later ook Bosnië. Toen de VN hun sancties tegen rest-Joegoslavië afkondigden, verdwenen ook de afzetmarkten in Servië, dat voordien alleen al goed was voor zeventig procent van de hele buitenlandse handel van Macedonië.

Zelfs dat was nog niet alles. Macedonië verklaarde zich onafhankelijk, maar werd niet erkend omdat de Grieken bezwaar maken tegen de naam Macedonië. De EG nam in juni de Griekse bezwaren over, in ruil voor wat Griekse concessies ten aanzien van Turkije en Cyprus, daarmee Macedonië reducerend tot wat Mark Thompson heeft genoemd "een handvol wisselgeld in een regionale koehandel'. Dat internationale isolement betekent meer dan het ontbreken van ambassades, het betekent óók dat geen economische hulp wordt verleend, dat zakenlieden worden belemmerd in het zakendoen en vooral dat Macedonië geen lid kan worden van het IMF, de Wereldbank, de Oost-Europabank EBRD - en geen lidmaatschap betekent geen hulp. Ze zijn er, in Skopje, de Wereldbank komt er langs, het IMF ook, de EBRD, ze willen ook graag helpen, maar ze kunnen slechts advies geven, geen geld, geen krediet.

En het kan altijd nòg erger. Toen de Grieken, ondanks verzekeringen van het tegendeel, hun economische boycot begonnen, ging voor Macedonië de belangrijkste deur naar de buitenwereld dicht. Toen de Veiligheidsraad vorige week ook nog eens besloot de sancties tegen Servië en Montenegro te verscherpen en de doorvoer van olie en andere belangrijke produkten via Joegoslavië te verbieden, werd Macedonië beroofd van zijn laatste levenslijn ten aanzien van de aanvoer van olie, de verbinding van de Bulgaarse havenstad Boergas via Nis in Servië naar Skopje. Omdat er geen spoorverbindingen met Bulgarije zijn is Macedonië nu aangewezen op de invoer van olie via de weg. Maar de wegen van en naar Bulgarije zijn in de winter niet begaanbaar. Aanvoer via Albanië is onmogelijk, de wegen zijn nog slechter en bovendien, tankers kunnen de Albanese haven Durrës niet binnenvaren.

Vluchtelingen

En het arsenaal van rampen is nog altijd niet uitgeput. Nog een: de oorlog in Bosnië heeft geleid tot de komst van 65.000 vluchtelingen, die Macedonië per maand twee miljoen dollar kosten. De spanningen in de vluchtelingenkampen stijgen snel. Macedonië heeft zelf maar twee miljoen inwoners en kan zoveel vluchtelingen niet aan: 65.000 vluchtelingen op twee miljoen inwoners betekent omgerekend naar Nederlandse verhoudingen zo'n half miljoen vluchtelingen.

En nog een ramp: toen Macedonië zich onafhankelijk verklaarde, heeft Joegoslavië zich meester gemaakt van de Macedonische valutareserves, inclusief de spaarcenten van de Macedonische gastarbeiders in het buitenland. Omdat de Macedonische regering wel moest opkomen voor de schade, staat ze nu voor een miljard dollar bij haar eigen burgers in het krijt. En dat terwijl Macedonië wel zijn aandeel in de nationale schuld van het voormalige Joegoslavië heeft overgenomen en is begonnen die af te betalen.

En nòg een ramp: de toeristen blijven weg, geen toerist gaat meer naar ex-Joegoslavië, de hotels in Ochrid en Struga staan leeg. De opbrengst uit het toerisme was vroeger vijftig miljoen dollar, dit jaar minder dan twee miljoen.

De schade door die opeenvolging van rampen is niet te becijferen. Alleen al de VN-sancties tegen Joegoslavië kosten Macedonië 1,3 miljard dollar, de Griekse boycot kost nog eens één miljard. De Macedonische economie, toch al niet sterk, sterft af. Het bruto nationaal produkt is gedaald van 3,1 miljard tot 1,8 miljard dollar. De industriële produktie daalde in 1990 met tien procent, in 1991 met 17 procent, in 1992 met dertig procent. ""Ik krijg elke dag brieven van bedrijven die ermee op moeten houden, afzetmarkten zijn weggevallen, verbindingen zijn verbroken en energie ontbreekt'', zegt Hari Kostov.

Het gemiddelde loon is gehalveerd tot 120 gulden per maand, de werkloosheid bedraagt inmiddels een kwart van de bevolking en stijgt met de dag. Dertig procent van het werk op het land is deze herfst niet gedaan omdat de boeren geen benzine voor hun tractors hebben. Op 11 november werd de stadsverwarming van Skopje afgezet: de olie was op. Hervormingen, zoals het programma voor de inflatiebestrijding en de privatisering, mislukken jammerlijk: geld ontbreekt, de Macedoniërs, zegt de minister van privatisering, weten niet of ze morgen te eten hebben, denk je dat ze dan geld investeren in een bedrijf? Hulp is er niet: Macedonië wordt niet erkend, bestaat niet, en wie als land niet bestaat kan geen lid worden van Wereldbank, IMF of EBRD, kan geen hulp krijgen van andere landen. Wie niet bestaat kan doodvriezen. En dat is wat de twee miljoen Macedoniërs op dit moment doen.

Byzantijnen

Macedonië is wel wat gewend, als het om rampen gaat: de Macedonische geschiedenis is een aaneenschakeling van rampen. Hier ontstond duizend jaar geleden de eerste slavische universiteit, de Ochridse literatuurschool, gesticht door Kliment en Naum, de leerlingen en volgelingen van de slavische heiligen Cyrillus en Methodius, een kerkelijk en cultureel centrum dat honderden jaren lang de slavische wereld heeft beïnvloed. Maar toen kwamen de Byzantijnen, die tsaar Samoeil versloegen en hem zijn verslagen leger terugstuurden: van de gevangenen waren de ogen uitgestoken, maar van de honderdste één oog, zodat elke honderdste soldaat 99 blinden naar huis kon voeren. Na de Byzantijnen kwamen de Turken, een nacht die eeuwen duurde, en daarna - na de jaren zeventig van de vorige eeuw - werd Macedonië een prooi van ruziënde buren, Bulgaren, Serviërs, Grieken, Turken. In 1903 zijn ze nog even in opstand gekomen, voor het eerst, en voor het laatst, want de opstand werd zo ongemeen bloedig neergeslagen dat men er in elke kanselarij en in elke krant in het buitenland schande van sprak. Ze vereren hun held uit die dagen, Goce Delcev, vermoord door de Turken. Onze Garibaldi noemen ze hem, je komt zijn gezicht overal tegen.

Nog later, in 1912 en 1913, werden om dit kleine landje in het hart van de Balkan nog de twee Balkan-oorlogen gevoerd, eerst door alle omringende volken tegen de Turken, vervolgens door alle omringende volken tegen de Bulgaren, die zich, dromend van een Groot-Bulgarije, naar de zin van de buren te veel van de buit hadden toegeëigend.

Historische verliezers, de Macedoniërs: zoveel oorlogen, en zelf hielden ze er nooit meer aan over dan een nieuwe meester, onveranderlijk een met harde handen. Na de vorming van Joegoslavië in 1918 werden ze geserviseerd, Macedoniërs mochten ze zich niet noemen, in dat Koninkrijk van de Serviërs, Kroaten en Slovenen; Zuid-Serviërs moesten ze heten. De bevrijding kwam pas in 1945, met Tito, toen mocht er opeens een eigen republiek Macedonië komen, toen pas mochten ze zich noemen naar het land waar ze al dertien eeuwen wonen. Geen wonder dat de dankbaarheid groot was: Macedonië was deze halve eeuw "Tito's best gelukte republiek'. De stad Titov Veles is de enige in het voormalige Joegoslavië die zijn naam nog draagt en je komt Tito's portret ook nu nog tegen, niet meer in de staatskantoren waar hij vroeger verplicht hing, maar in winkels en woningen.

Compromissen

De aaneenschakeling van historische rampen en de voortdurende trek van bevolkingsgroepen in die roerige geschiedenis heeft van Macedonië een land van compromissen gemaakt. Hier geen geweld bij de losmaking uit Joegoslavië, toen het federale leger zich terugtrok, zegt Hari Kostov, hebben we ze alles laten meenemen wat ze wilden hebben om heisa te voorkomen, hun vliegtuigen, alles tot en met de laatste jeep, de laatste computer, zelfs de tapijten uit de officierskamers van de kazernes. En ze gingen in vrede, boos, maar zonder geschiet.

Compromissen. Men leeft hier doorgaans in redelijke harmonie met elkaar, in deze smeltkroes van volkeren, de Macedoniërs maken officieel ruim zestig procent van de bevolking uit, de Albanezen officieel een vijfde, in werkelijkheid eenderde, maar er zijn ook forse groepen Vlachen, Turken, Serviërs, Roma en Bulgaren, allemaal met hun eigen taal en cultuur, hun eigen liederen, hun eigen dansen. Hari Kostov is een Vlach, we zijn met ons vijfduizenden, zegt hij, maar we hebben niet veel pretenties, hoor.

Het is een smeltkroes waar niettemin de spanningen als gevolg van die serie rampen snel oploopt, de nationaliteiten hebben hun eigen partijen. Er zitten Albanezen, Turken en Roma in het parlement, de vice-president is een Albanees, net als de ministers van financiën, wetenschap en sociale zaken, en een zonder portefeuille, er zitten Roma in het parlement, en de minister van cultuur is een Turk.

De spanning groeit, de Albanezen eisen autonomie, een eigen gebied, ze zien overal discriminatie, zegt Hari Kostov, en er is ook discriminatie, maar niet in onze wetgeving: ze hebben alle rechten. Maar tevreden zijn ze niet, ze zijn zelfs tegen de internationale erkenning van Macedonië. Op 6 november vielen de eerste doden in Macedonië, vier, na een incident op de markt in de oude stad van Skopje.

Platteland

Macedonië was dan wel Tito's best gelukte republiek, erg rijk is het land in die halve eeuw niet geworden. Het oogt minder armelijk dan Bulgarije en Albanië, maar het oogt niet rijk. De Macedoniërs zijn de tuiniers, pottenbakkers, tapijtwevers en houtsnijders van ex-Joegoslavië. Vroeger leverden ze zestig procent van de rijstproduktie van heel Joegoslavië, dertig procent van de groenten, zeventig procent van de druiven, de helft van de eieren, een kwart van de tabak. Migranten zijn ze: migratie is al honderd jaar een vast bestanddeel van het Macedonische leven, pecalbari zijn gastarbeiders, al honderd jaar worden huwelijksfeesten pas gehouden als ook de pecalbari erbij kunnen zijn. Hele dorpen zijn decennia lang zonder mannen geweest en ontelbare melancholieke volksliederen vertellen van het verlangen naar de vertrokken mannen en de problemen van de vrouwen die achterbleven.

Een land van contrasten. Macedonië, dat is industriesteden als Tetovo in het westen, steden vol socialistische planning die bij een beetje regen of sneeuw in troosteloze modderpoelen veranderen. Maar Macedonië is ook en vooral platteland, weids en leeg platteland, met kleine lapjes bewerkte grond en oude orthodoxe kloosters op bergtoppen. Een platteland met ruige bergen en glooiende heuvels, met rijen kaarsrechte cypressen langs wegen vol gaten en schapen in de berm en boerenvrouwen met hoofddoeken en pofbroeken op karren met kool. Een platteland - armelijke dorpen met Albanezen met een stok en een vilten fez op het hoofd die bij de dorpswinkel wetenswaardigheden uitwisselen. Een platteland - kraaien, kauwen en roeken, bossen, bruin en geel van de herfst, moskeeën met minaretten met zilveren spitsen, vlekken sneeuw, rode aarde, zwarte aarde, roofvogels, kinderen met een geit aan een touwtje. Ga van de snelweg af en de tijd heeft heel lang stilgestaan.

Tegelijkertijd zie je ook grote schotelantennes en peperdure auto's en zie je in de casino's van de grote hotels in Skopje hoe de flappen over de tafel gaan, marken, dollars: ook Macedonië heeft zijn nouveaux riches.

Maar ook zij hebben het moeilijk. Niet diegenen die de gaten hebben gevonden in de muren die een onverschillig en cynisch Europa rond dit land heeft opgetrokken, diegenen die leven van de zwarte markt, de smokkel. Wel diegenen die in jaren van ploeteren onder het socialisme een eigen bedrijf hebben opgebouwd en dat nu naar de knoppen zien gaan omdat dat Europa niet wil weten dat er in Macedonië ook mensen wonen.

Twee fabrieken

Savo Stankovic is er zo een, een boomlange, zware man, een elektronisch ingenieur die elf jaar geleden genoeg had van de socialistische economie en een eigen bedrijf stichtte. Hij schakelde alle familieleden, alle vrienden en bekenden in, ieder van hen leende geld bij de bank en zo begon Stankovic, met honderdduizend geleende marken, in de kelder van zijn eigen huis met de produktie van processors en speciale apparatuur voor computers. Ze vonden gretig aftrek. Al na een jaar had hij zijn eigen patent en kwamen grote orders uit Kroatië bijvoorbeeld, voor computerapparatuur voor de melkverwerkende industrie; alleen die order, zegt Stankovic, heeft me twee miljoen mark opgeleverd. Hij kwam zijn kelder uit, kocht een stuk land op twintig kilometer van Skopje, in de heuvels, bouwde er twee fabrieken naast elkaar. Ze ogen niet als fabrieken, je ziet geen metalen tanks, geen rokende schoorstenen of grauwe gebouwen, ze zien eruit als fors uitgevallen landhuizen. Stankovic wijst uit het raam: aan de rand van het bos loopt een herder met zijn kudde. ""Ik wil het landschap niet bederven.''

Het was niet makkelijk, onder het socialisme, zegt Stankovic. ""Maar ik ben een vechter, ik heb ze gezegd dat ik nuttiger voor dit land kan zijn als privé-ondernemer dan als werknemer in een openbaar bedrijf. Ik heb ze gezegd dat ik internationale patenten heb, dat ik in Amerika ben uitgenodigd en dat ik daar direct aan de slag zou kunnen gaan.'' Ze accepteerden het, uiteindelijk, hij mocht zijn gang blijven gaan.

De laatste jaren maakte Stankovic printer circuit boards voor bedrijven in Kroatië en Bosnië, maar ook voor het Duitse Siemens en het federale Joegoslavische leger. Vijfentwintig mensen heeft hij in dienst, we zijn nog goedkoper dan de Taiwanezen, zegt hij.

In april begonnen de problemen: de Serviërs begonnen een boycot tegen Macedonië, dat uit Joegoslavië was gestapt en zich een eigen munt, de denar, had aangemeten. Kort daarop begon de Griekse boycot. ""Bij mijn laatste bezoek aan mijn Griekse partners werd ik even over de grens aangehouden door politie in burger. Ze hebben me gedwongen om te keren. Ze hebben me met een pistool onder mijn kin gedwongen om te keren en hier nooit meer terug te komen.'' Hij laat de fax-boodschappen van die Griekse partners zien, ze zijn in het Engels, ze zeggen allemaal hetzelfde: we zijn onder druk gezet, helaas, geen zaken meer, geen contacten meer, we moeten, jammer.

Sindsdien is Macedonië een eiland, een eiland met een heel kleine markt, te klein voor Stankovic. Hij kan alleen nog zaken doen met zijn Duitse partners, alleen al honderd in Beieren. Maar, zegt hij, vervoer over de weg is peperduur omdat je overal moet betalen, tweehonderd mark tol hier, tweehonderd mark smeergeld daar, de Serviërs eisen geld, de Hongaren, de Oostenrijkers, mijn spullen worden te duur. Omdat Macedonië niet wordt erkend is voor alles een stapel documenten nodig, vergunningen, visa, is geld overmaken naar het buitenland onmogelijk, kunnen geen bankgaranties worden afgegeven. Die niet-erkenning, zegt Stankovic, is het eind van onze economie. ""Daar komt nog bij dat telefoonverkeer vrijwel onmogelijk is. Onze verbindingen met West-Europa lopen via Zagreb, als de Kroaten zin hebben snijden ze ons af. We hebben deze zomer tweeënhalve maand niet met Duitsland kunnen bellen, het heeft me een kwart miljoen mark aan orders gekost.''

De produktie van Stankovic' bedrijf is inmiddels met 75 procent gedaald en hij ziet het einde naderen. ""Alles was afgestemd op speciale klanten. Al die klanten zijn weg, onbereikbaar. Ik overleef het wel,'' zegt de kolossale man in zijn doodstille fabriek in de heuvels buiten Skopje. ""Ik overleef het wel, ik kom niet van de maan, maar mijn vijfentwintig mensen?'' En: ""Dit wordt een bevroren regio. Alles sterft af.'' Dan, boos: ""Begrijpen jullie in Europa dan niet dat jullie beslissen over het leven van een heel land?''

Dom

De president van de bevroren regio heet Kiro Gligorov. Een zestiger met een mager gezicht en een streep wit door zijn grijze haar. ""De Grieken'', zegt hij, ""plegen economische agressie, ze willen dat we in zo'n economische malaise terechtkomen dat ze ons hun voorwaarden kunnen opleggen, dat we afzien van onze nationale identiteit.'' Het is gevaarlijk , zegt hij, ""ze riskeren wat we hier allemaal vrezen, instabiliteit, een oorlog, een Balkan-oorlog''.

Het is ook dom, want, zegt de president, ""Macedonië is rustig gebleven terwijl elders oorlog werd gevoerd. Wij hebben de oorlog ver van de Griekse grens gehouden, wij dienen als een schild voor de Grieken en in ruil daarvoor hebben ze ons slag na slag toegediend. Sterker nog, ze verspreiden kwaadaardige leugens, dat we heroïne produceren, dat we samenwerken met de mafia en met het verdiende geld wapens kopen in Rusland.'' Hij lacht bitter, we hebben niet eens wat je een leger zou kunnen noemen, de CVSE-mensen zijn gekwalificeerd genoeg om dat te verifiëren. ""Macedonië heeft niet één zwaar wapen, we willen niet eens een leger, we willen onze mensen niet nog verder laten verpauperen door aan een leger te werken.''

Griekenland nam onlangs het initiatief om de Macedonische grens te erkennen, waarna ook de andere buren dat deden. Het maakt de president alleen maar kwaad, het is een manoeuvre waarmee de Grieken de EG willen overtuigen dat erkenning van Macedonië helemaal niet nodig is. ""Het is een mystificatie van de Grieken, het is een waardeloze politieke daad. Stel je voor: ze erkennen onze grenzen, maar ze vragen ons niets, ze informeren ons niet eens, noch tevoren, noch achteraf. Alsof we een soort protectoraat vormen, met ongedefinieerde grenzen.'' Gligorov zucht. ""Luister, wij hebben de vrede bewaard, wij hebben alles gedaan wat Europa ons vroeg te doen, om te worden erkend. De Grieken antwoordden met hun blokkade. Als er tòch oorlog komt, zal zo'n verklaring over de erkenning van de grenzen niet helpen. Als het oorlog wordt, zijn verklaringen even veel waard als de sneeuw van vorig jaar.''

En die oorlog komt dichterbij, de spanning loopt op, zegt de president. ""De vier doden van 6 november tonen aan dat de grenzen zijn bereikt van wat men kan verdragen. Iedereen moet dit weten: wij zijn de enigen die de vrede hebben bewaard, we hebben democratie, we erkennen de grenzen, we hebben een coalitieregering, de mensenrechten worden gerespecteerd. Wat moeten we nog meer doen?'' Hij leunt voorover en zegt: ""Ik ben bang om dit te zeggen, maar klopt het dan wat de extremisten beweren: dat je eerst oorlog moet voeren voor je wordt erkend?''