Herinneringen in het Drentse dorp Roden; "Hij is wat te fanatiek geweest'; Ze patrouilleerden in uniform en met het geweer over de schouder door de straten van Roden

RODEN, 28 nov. - Zwarte Rieks praat niet meer. Hendrikus de Vries, in het dorp Zwarte Rieks genaamd, is de enige ooggetuige van de schietpartij. Achter zijn huis zou Landwacht Jacob Luitjens de gedeserteerde Duitse soldaat Körber hebben doodgeschoten. Mevrouw de Vries opent de deur op een kier. “Mijn man is er niet en hij heeft u ook niets mee te delen,” zegt ze en slaat de deur weer dicht. De Vries heeft kennelijk genoeg van de affaire.

In het Drentse dorp Roden praat men niet graag over het verleden. Op de dag dat de beruchte Rodenaar in Nederland aankomt, ligt het dorp er slaperig en popperig bij. De Brink, de gereformeerde kerk, het speelgoedmuseum, hotel Onder de Linden, keurig aangeharkte tuintjes, ouderwetse klinkerstraatjes en veel boerderijen, van klein tot groot.

Het huis van de familie Luitjens op de weg naar Groningen, bestaat niet meer. Het is nu een fabrieksterrein. Een 65-jarige buurman wil wel praten, maar zijn naam mag niet in de krant. Veearts Steven Luitjens kwam begin jaren dertig met vrouw en vijf kinderen uit Indië naar Roden. Het was armoe troef in Drente, waar de meeste boeren niet meer dan een paar koeien bezaten. Luitjens sr. was een zeer gewaardeerde veearts. Hij kreeg al snel grote invloed op de keuterboeren.

Velen werden lid van de Nationale Bond Landbouw en Maatschappij, die in 1940 opging in het Agrarisch Front van de NSB. “Luitjens sympathiseerde van meet af aan met de NSB en heeft tal van kleine boertjes en middenstanders overgehaald om lid van de partij te worden. Hij beloofde betere tijden, in Duitsland zouden de boeren veel beter behandeld worden,” zegt de buurman, wiens vader nooit iets voor de Duitsers heeft gevoeld. Met Jacob Luitjens heeft hij niet veel contact gehad. Jacob was anders dan de meeste jongens op het dorp: hij ging met de tram naar Groningen, naar de HBS, terwijl de anderen op hun veertiende van school moesten om vader in het bedrijf te helpen. Jacob was net zo fanatiek als zijn vader. Alle vijf kinderen waren lid van de Jeugdstorm en Jacob ging in de oorlog bij de Landwacht, een soort burgerpolitie, die collaboreerde met de bezetter.

Ze patrouilleerden in uniform en met het geweer op de schouder door de straten en controleerden papieren. “Echt bang waren we niet voor ze, het waren immers onze buurjongens. Maar ze hielden wel mensen aan. We hebben in 1941 een mei-staking gehad. De boeren brachten de melk niet meer naar de fabriek uit protest tegen de Duitsers. Toen zijn er heel wat opgepakt door de Landwacht,” aldus de buurman.

Iedereen weet hier wie goed of wie fout was. “Mijn overbuurvrouw was lid van de NSB, die heeft met haar man ook tweeëneenhalf jaar in Westerbork gezeten. Zo waren er zo veel, maar we moesten het verleden maar laten rusten.” Het was een spannende tijd, de oorlog, weet de buurman. “Mijn overbuurman was sympathisant van de nazi's. Hij was bureauhouder en moest vorderingen uitschrijven voor vee. Maar in zo'n geval tipte hij ons en dan stuurden we ons paard het bos in.”

Egbert Piek (72) heeft in Groningen en Roden veertig jaar met de melkkar gelopen. Ook hij kent ze allemaal, de NSBers. Zijn vader had zes jaar in de Ford-fabrieken in Detroit gewerkt en kwam als communist terug. In 1941 werd hij opgepakt omdat hij pamfletten over de jodenvervolging in Amsterdam had verspreid. Vier jaar zat hij in Buchenwald. “Hij was een wrak toen hij terugkwam en is toch 96 geworden. Maar over het kamp vertelde hij niks.” Piek is even oud als Luitjens, maar bevriend waren ze niet. “Hij was een buitenbeentje, hij had een misvormd handje, hij speelde niet met de dorpelingen. Bij de Landwacht zaten de domste jongens die makkelijk waren over te halen. Luitjens was de slimste van het stel en had heel wat in de melk te brokken.”

In Roden, dat in de oorlog 5.000 inwoners telde, waren maar twee joodse families, die meteen zijn weggevoerd. Piek vindt het terecht dat Luitjens is uitgewezen. “Wat hij op zijn kerfstok heeft weten we eigenlijk niet. Het meeste is gebaseerd op geruchten. Laat ze het maar goed uitzoeken, maar ze moeten niet al die oude wonden weer openrijten.”

De beruchte schietpartij heeft Hilda Koning (65) niet gezien, maar wel zag ze vanuit haar ziekbed Luitjens de Duitse deserteur met een geweer door de weilanden achtervolgen. De wanhopige Duitser smeekte een langsrijdende fietser nog vergeefs om zijn rijwiel. Even later was hij dood. Hilda heeft ook aan Luitjens sr. een hekel: “Mijn broer werkte bij een NSB-boer waar de veearts veel over de vloer kwam. Ze hebben mijn broer overgehaald bij de SS te gaan. Dat leidde tot grote ruzie thuis, mijn ouders vonden het vreselijk. Mijn oudste broer kwam uit woede hierover niet meer bij ons over de vloer. Mijn broer is in Hongarije omgekomen. Later kwam die Luitjens er nog een halen. Hij zei tegen mijn moeder: je zoon kan mijn geweer wel overnemen. Mijn moeder zei: daar is het gat van de deur!”

Ook geschiedenisleraar Van de Velde heeft de achtervolging van de Duitser door zijn raam waargenomen. “Jacob Luitjens was zo'n beetje de leider van die groep van de Landwacht. Er zijn veel verhalen dat hij mensen aangaf, hij was ook een hele felle antisemiet. Vóór de oorlog wist je al precies wie NSBer was. Men vond het niet sympathiek, maar je ging wel met elkaar om. In de oorlog verhardden de standpunten. Toen de jongens van de Landwacht hun pakje aantrokken en een geweer op de schouder gingen dragen, waren het echte vijanden geworden.”

Om de hoek bij het Tolhuis woont Engbert E. (69), die samen met Luitjens bij de Landwacht zat. Tot mijn verbazing staat hij me, enigszins zenuwachtig, te woord. “De jaren dertig waren heel zwaar,” zegt hij. “We hadden zes koeien. Mijn moeder stierf toen ik vier jaar was. Mijn vader was geen NSBer, al hebben ze hem later wel vastgezet. Ik ben bij de Landwacht gegaan om de Arbeitseinsatz te ontlopen. Als je lid werd van de Landwacht hoefde je niet naar Duitsland. Mijn vader kon mij in het bedrijf niet missen. We werkten dag en nacht. Geld kregen we er niet voor, we liepen in uniform, met een jachtgeweer. We wisten heus wel waar de onderduikers zaten, maar we pakten ze niet op. We waren toch allemaal uit één dorp!” Het waren een man of twintig, in Roden bij de Landwacht. Na de oorlog zijn ze allemaal opgepakt. Eerst zaten ze een paar maanden vast in de melkfabriek, daarna werd Engbert overgeplaatst naar de strafkolonie Veenhuizen en tenslotte naar Westerbork, waar hij zwaar ziek werd. “Ik had een gevaarlijke bloedziekte en heb een paar maanden liggen ijlen. Ik heb uiteindelijk tweeëneenhalf jaar vastgezeten. Ik vind het niet onrechtvaardig dat ik na de oorlog ben opgepakt. Dat wás nu een keer zo.”

Wat vindt Engbert van de terugkeer van Luitjens? De kleine boer kijkt wazig in de verte en fluit zachtjes en onzeker. “Wat moet ik ervan zeggen? Hij is gevlucht, dus hij heeft zijn straf niet uitgezeten. Luitjens is misschien wat te fanatiek geweest of zo. Hij was een normale jongen, hij had wat meer in de mars dan wij.” Tranen schieten Engbert in de ogen. Zijn onderlip trilt. “Ik zit er soms zelf wel mee. De mensen weten wel dat ik vroeger die kant op was, maar in mijn gezicht zeggen ze er niks over. Ik ga er zelf niet over beginnen. Ik weet niet of het fout was of niet fout. Op dat moment hebben we daar helemaal niet aan gedacht. Nu staat de hele wereld weer op zijn kop met die neo-nazi's. Ik heb tegen mijn kinderen gezegd: blijf er buiten, blijf in godsnaam buiten de politiek, want je bent maar een gewone jongen en ze pakken je altijd!”

Nu begint de oude man te huilen. “Als ik mijn moeder nog had gehad, was alles anders gelopen.” Volgt een verward verhaal hoe zijn moeder in Westerbork, in zijn koortsdromen, tot hem heeft gesproken. “Ze zei tegen me: jongen, beloof je me dat je bij het ware geloof blijft. Eén ding weet ik zeker: ik heb nooit iemand kwaad gedaan.” Engberts vrouw duikt onder de tafel en knuffelt de keeshond.