Handhaving ontwikkelingnorm lost ellende Derde wereld niet op; Ontwikkelingshulp is een kwestie van geloof en theater

Ontwikkelingshulp is een kwestie van geloof en theater. Geen land worstelt zo met dit vraagstuk als Nederland. Nadat op een achternamiddag het parlement de norm voor ontwikkelingshulp had losgelaten, protesteerde een deel van de christen-democratische achterban van het kabinet en voerde PvdA-minister Pronk zijn show van politieke loser op. De CDA-jongeren, het CDA-vrouwenberaad en de CDA-gelieerde vakcentrale CNV protesteren vandaag op de partijraad van het CDA tegen loslating van de norm van 1,5 procent nationaal inkomen voor "zuivere ontwikkelingshulp'. Deze norm is door Nederland in 1972 omarmd als vorm van internationale solidariteit.

Zij heeft zich sindsdien tot een ijkpunt van politieke correctheid ontwikkeld. Dat verklaart wellicht waarom Pronk vorige week in de Kamer zo'n emotioneel staaltje vormingstoneel ten beste gaf toen hem werd verweten dat hij lijdelijk zou hebben toegekeken terwijl de ontwikkelingsbegroting werd geplunderd door zijn politieke vrienden in het kabinet. Pronk verweerde zich met het argument dat hij als een "burgemeester in oorlogstijd' erger had voorkomen.

Het Nederlandse debat gaat over de moraal en niet om de werkelijkheid in de betrekkingen tussen "arme' en "rijke' landen, tussen wat bij gebrek aan een beter verzamelbegrip nog steeds de Derde wereld wordt genoemd en de industrielanden. Deze betrekkingen zijn in de jaren tachtig ingrijpend veranderd en in veel opzichten genormaliseerd. Ontwikkelingshulp speelt daarin een geringe rol. Economische processen hebben een veel grotere betekenis gehad.

De jaren tachtig worden met betrekking tot de ontwikkelingslanden gewoonlijk bestempeld als het "verloren decennium'. Dat is, zoals blijkt uit gegevens van internationale organisaties, in grote delen van de Derde wereld niet in overeenstemming met de feiten. In dit decennium is de gemiddelde jaarlijkse economische groei in Zuid- en Oost-Azië respectievelijk 5,3 en 8 procent geweest. Dit deel van de wereld bevat driekwart van de bevolking van de ontwikkelingslanden. De armoede is door deze groei in tien jaar niet verdwenen, maar de vooruitgang is onmiskenbaar.

Latijns Amerika heeft het "verloren decennium' gebruikt om zijn economische structuur te hervormen. De omvang van de schuldenlast die de latinos in de jaren zeventig op zich hadden geladen, dwong tot drastische aanpassingen. Het naar binnen gerichte beleid, met nadruk op de rol van staatsbedrijven, werd losgelaten. De meeste Latijns-Amerikaanse landen voerden met succes structurele hervormingen door en in 1991 stroomde netto 36 miljard dollar particuliere investeringen naar het continent dat in 1982 nog collectief bankroet ging.

In Afrika ten zuiden van de Sahara is de situatie in de jaren tachtig wel verslechterd. Afrika telt veel landen, zodat een verwijzing naar het aantal landen waar de armoede toeneemt al gauw de indruk wekt dat de hele Derde wereld slechter af is. Maar in Afrika, hoe bedroevend ook, woont niet meer dan twaalf procent van de bevolking van de Derde wereld. Structurele hervormingen slagen niet, het continent wordt verscheurd door burgeroorlogen en heeft de slechtste reputatie wat betreft behoorlijk bestuur.

In dat verband zijn de resultaten van een recent evaluatie-rapport van de Wereldbank opmerkelijk. Daaruit blijkt dat een derde van de Wereldbank-projecten niet voldoet aan de criteria die de Wereldbank zelf stelt aan economische rendement en de voltooiing van projecten binnen de gestelde tijd. Uitsplitsing naar regio levert op dat het percentage succesvolle projecten in Afrika veel lager en in Azië veel hoger is dan het gemiddelde. Behoorlijk bestuur, een begrip dat een jaar of tien jaar geleden als thema in het ontwikkelingsdebat werd geïntro- duceerd maar toen in Nederland niet aansloeg, is inmiddels ook door Pronk omarmd als relevante factor.

Ontwikkelingslanden worden traditioneel beschouwd als exporteurs van grondstoffen en importeurs van industrieprodukten. Campagnes zoals voor Max Havelaar-koffie, dragen aan dat beeld bij, maar ook dit stereotype is in de jaren tachtig achterhaald. Zonder de binnenlandse rol van de agrarische sector te bagatelliseren is voor de Noord-Zuid betrekkingen van betekenis dat zeventig tot tachtig procent van de export van ontwikkelingslanden uit industrieel verwerkte produkten bestaat.

Weliswaar komt deze industriële export uit niet meer dan achttien ontwikkelingslanden, maar daartoe behoren wel Aziatische landen met grote bevolkingen, zoals China, India, Bangladesh, Korea, Pakistan, de Filippijnen en Thailand. Deze landen zijn gebaat bij lage grondstoffenprijzen omdat ze netto meer grondstoffen importeren dan exporteren.

De grootste exporteurs van landbouwprodukten en grondstoffen in de wereld zijn de Verenigde Staten, Canada en de EG (met een prominente rol voor Nederland). Dit maakt duidelijk waarom de GATT-onderhandelingen over liberalisatie van de handel in landbouwprodukten tot enorme conflicten tussen de VS en de EG hebben geleid. Ontwikkelingslanden hebben, gezien hun handelsstructuur, baat bij een GATT-akkoord dat grotere toegang tot de markten van de rijke landen mogelijk maakt.

Sinds het midden van de jaren tachtig, versterkt door de omwentelingen in Oost-Europa van 1989-'90, heeft zich een ideologische kentering voorgedaan binnen de spraakmakende gemeenschap in ontwikkelingslanden ten aanzien van het economische beleid. Dit is niet langer gebaseerd op eisen voor een "nieuwe internationale economische orde' die diende te worden gevoed door een opgelegde kapitaalsoverdracht van Noord naar Zuid, maar op beginselen van de markteconomie en behoorlijk bestuur. Waar deze wordt toegepast, hebben internationale organisaties vastgesteld, gaat het aantoonbaar beter met de economische groei.

In Nederland bestaat groot vertrouwen in verbetering van de Derde wereld door geld beschikbaar te stellen. Het is zoiets als de betaling van een aflaat, waarvan het effect evenmin valt na te gaan. In 1991 bedroeg de officiële (bilateraal en multilateraal) ontwikkelingshulp zoals geregistreerd door de OESO 58 miljard dollar. Als hiervan de bedragen worden afgetrokken die ontwikkelingslanden terugbetalen in de vorm van rente en aflossingen, blijft netto een hulpstroom van 11 miljard dollar per jaar over. Dat is niet meer dan 1,5 procent van de 700 miljard dollar die ontwikkelingslanden jaarlijks zelf met hun export verdienen. Zelfs voor Afrika ten zuiden van de Sahara, waar hulp relatief de belangrijkste rol speelt, bedraagt de ontvangen hulp niet meer dan vijf procent van het bruto nationale produkt. Voor Azië en Latijns Amerika is het minder dan één procent van het BNP. Anders gezegd: hulp speelt een beperkte rol en dat vraagt om bescheidenheid bij de pretenties van de officiële ontwikkelingshulp.

Dit neemt niet weg dat welvaart ongelijk verdeeld is in de wereld, dat grote gebieden stagneren en miljoenen mensen gebukt gaan onder armoede. Noodhulp blijft dus geboden. Ook bevolkingsgroei en afbraak van het milieu vormen uitdagingen die blijven vragen om specifieke projecten. Dat kost natuurlijk geld, dat vraagt om deskundigheid en organisatie.

Op basis van de ervaringen die de afgelopen dertig jaar zijn opgedaan, valt een schatting te maken van de bedragen die nodig zijn en met succes kunnen worden geïnvesteerd in ontwikkelingslanden. Dit is de omgekeerde weg van die welke nu wordt begaan en ligt in de lijn van de werkwijze die de Wereldbank toepast in zijn jaarlijkse overleg met ontwikkelingslanden. Met redelijke nauwkeurigheid kan per regio worden berekend hoeveel nodig is voor concessionele hulp en andere terreinen waarop financiële ondersteuning gewenst is. Bovendien kan dan rekening worden gehouden met de begrensde opname-capaciteit van landen, zodat de bestedingsdwang vervalt die hulpinspanningen nu kenmerken.

Voor de berekening van realistisch te verwerken bedragen aan hulpgeld zou een commissie van eminente deskundigen aan het werk kunnen worden gezet. Daarin zouden wat Nederland betreft bijvoorbeeld de directeur van het Centraal Planbureau prof. G. Zalm, de oud-secretaris-generaal van de OESO mr. E. van Lennep en de ontwikkelingsdeskundige prof. F. van Dam zitting kunnen hebben. Een dergelijke studiegroep kan een creatieve impuls leveren aan het ontwikkelingsdebat en een concrete basis geven voor politieke besluitvorming. Want het is een illusie dat ontwikkelingsproblemen een stap dichter bij een oplossing komen door de handhaving van een norm van anderhalf procent.