Een man van niets of alles, volledig in de ban van de schaatssport; "Het buitenland denkt dat wij door allerlei universiteiten worden gesteund.'; "In voor-olympisch jaar blijft je manoeuvreerruimte altijd beperkt.'

Hij gruwt van sleur en stagnatie. Wil weg voor hij vastroest. Toch is hij dit weekend in Berlijn bij de internationale opening van het seizoen weer bondscoach van de allround heren-kernploeg. AAB KROOK. Een man van niets of alles. In de ban van de schaatssport

Rimpels als loopgraven in zijn voorhoofd. Een krater van concentratie scheidt zijn ogen. Ogen die staren als zijn lippen bewegen. En woorden die hopeloos achterblijven bij zijn jachtige gedachten. Dit hoofd rust nooit.

“Ik ben voor mezelf altijd bezig”, zegt Ab Krook, schaatscoach van de mannen kernploeg. “Altijd. Te allen tijde. Zelfs als ik een verhaal vertel zoals nu. Dan blijft er altijd wel ergens een radertje hangen. Dan denk ik: is het wel zo, moet het wel zo, daar moet ik toch nog eens naar kijken.”

“De totale legpuzzel kan altijd beter”, zo luidt het motto van de schaatscoach. Stilstand is de dood die hij wenst voor te blijven. Dus slijpt en vijlt hij, steeds verfijnt hij. “Het grote gevaar in de sport is dat je achterover gaat leunen. Terwijl er nog zoveel ruimte voor ontwikkeling is.”

Hoe kun je van sporters verwachten dat ze zich voor honderd procent inzetten, als je dat zelf niet ook doet, zegt de schaatscoach. Natuurlijk is hij een perfectionist, maar alleen in zijn werk. En natuurlijk laat hij niets aan het toeval over. Alles controleert hij en controleert hij nog eens. Niet omdat hij alles in de hand wil houden, want dat kan toch niet. Zoveel waarop een coach geen greep heeft. Wat hij wel verlangt van zichzelf: dat hij alles gedaan heeft wat in zijn vermogen lag.

Die instelling hoort bij topsport, zegt hij ferm. Ze past ook bij Ab Krook, erkent hij peinzend. In de ban van de sport. Een mens van niets of alles. “Mijn hele leven staat in het teken van het schaatsen. Elke dag.”

Andere mensen hebben een baan en een hobby. Nee, een baan en een passie. Ze houden duiven, zijn gek op muziek, dat is eenderde van hun leven. En daar is helemaal niks mee, zegt Krook. “Ik heb liever mensen die zich durven engageren, met wat dan ook, dan mensen die helemaal niets hebben.”

Bij hem vallen baan en passie toevallig samen. En samen vullen ze zijn leven. Ja, volledig. Hij heeft wel andere interesses: de natuur en zijn tuintje. De toestand in de wereld laat hem heus niet onverschillig. “Maar - ik zeg het heel eerlijk - het schaatsen staat toch altijd op de voorgrond.”

Ook in de zomer, als hij het directe contact met de kernploeg doelbewust beperkt. “Je bent vijf, zes maanden zo verschrikkelijk intensief bij elkaar. Als je 's morgens opstaat, zie je elkaar en als je 's avonds naar bed gaat, zie je elkaar en de hele verdere dag kijk je steeds weer aan tegen diezelfde koppen. Dan moet je in de zomer afstand nemen. Ruimte laten.”

Die periode gebruikt hij voor organisatorische zaken. Om zich theoretisch op te frissen. Maar nooit verdwijnt het schaatsen uit zijn gedachten, ook al brandt de zon nog zo hevig. “Als ik op mijn manier een keer vakantie neem, gaat er steeds een stapel boeken mee. En na een of twee dagen zit ik toch weer van 's morgens vroeg tot 's avonds laat allerlei dingen op te zoeken. Zo zit ik in elkaar.”

Ruim anderhalf jaar geleden liet Krook al weten dat hij het voor gezien hield na de Olympische Spelen. Dan was hij vier jaar bondscoach bij de heren. Dan moest een ander het maar overnemen. Want anders dreigde vermoeidheid of sleur, nog erger. De schaatsers hadden recht op “nieuwe prikkels”. “Een nieuwe verpakking”. Een nieuwe coach.

Maar de opvolging liep iets minder soepel dan Krook verwacht had. Voortijdig werd bekend dat de bond in gesprek was met Leen Pfrommer, de coach van Jong Oranje. Voordat Krook de kans had gehad om zijn kernploeg op de hoogte te stellen. En toen Bart Veldkamp plotseling met dat nieuws geconfronteerd werd, net in de cruciale voorbereidingsfase voor Albertville, reageerde hij nog heftiger dan anders. Die “kinderoppas” was voor hem volstrekt onaanvaardbaar. Als Pfrommer kwam, zou hij vertrekken uit de ploeg.

Dat betekende het einde van de besprekingen met Pfrommer. Aan het einde van het seizoen had de schaatsbond nog altijd geen nieuwe trainer gevonden. Of Krook het misschien nog eens twee jaar wilde doen?

Krook zelf had al tijdens de Olympische Spelen op die mogelijkheid gezinspeeld. Wel had hij daar onmiddellijk een wensenpakket aan toegevoegd. Als niet de komst van een andere trainer voor nieuwe stimulansen zou zorgen, dan moest de trainingsmotivatie van de sporters op een andere manier worden geprikkeld. Door nieuwe elementen in de trainingsopbouw.

Ook pleitte hij voor de instelling van een aparte sectie Topsport. Want al te vaak werd de kernploeg gehinderd “door gewestelijke belangen”. Waarom bleef de professionalisering van de bestuurders toch altijd zo hemelschreiend ver achter bij die van de sporters? Waarom werd Ard Schenk niet tot voorzitter van de schaatsbond benoemd?

Krook had ook naar het buitenland kunnen gaan, vertelt hij. Vier serieuze aanbiedingen had hij gekregen: twee uit Europa, twee van daarbuiten. Maar hij is 48 jaar, hij heeft al eens acht jaar als bondscoach in Duitsland gewerkt. En hij woont riant in Loosdrecht. Hij hoeft niet meer zo nodig over de grens.

Belangrijker was dat zijn technische wensen voor een groot deel werden ingewilligd. Hij kreeg toestemming voor een hoogtestage op Tenerife in de voorbereidingsfase. En hij kreeg opdracht voor de vorming van een "denktank', waarom hij zo nadrukkelijk had gevraagd. Een club van specialisten uit de biomechanica, trainingsleer, psychologie en fysiologie, waarop altijd een beroep kan worden gedaan. “Want als schaatsland lopen we vooraan en in het buitenland denken ze dat wij door allerlei universiteiten worden gesteund. Maar eigenlijk missen we een wetenschappelijke flankering.”

Belangrijk was ook dat de kernploeg zich eensgezind uitsprak vóór verlenging van de verbintenis met Krook. Al spreekt de bondscoach zelf liever over “een prettige bijkomstheid, geen doorslaggevende factor”. “Want niemand is onmisbaar.” En: “sporters moeten niet afhankelijk zijn van een trainer”. Als ze op hem uitgekeken waren geweest, had hij dat “heel normaal” gevonden, zich het niet persoonlijk aangetrokken. Dan was hij nooit teruggekeerd.

Dat hij niet in alle opzichten zijn zin kreeg, deert hem weinig. Met zijn pleidooi voor een aparte sectie Topsport heeft hij in elk geval een discussie op gang gebracht. Dat hoopt hij. En met zijn campagne van "Schenk als president' heeft hij er dan toch maar op gewezen dat een bond het niet een jaar lang zonder voorzitter kan stellen. Dat “een aantal zaken dan toch niet adequaat geregeld wordt”.

De paradox van de schaatssport, zegt de bondscoach, is dat ze op topniveau professioneel bedreven moet worden. Terwijl het schaatsen zelf nog altijd amateursport is. “De winnaar van een concours hippique krijgt een auto van 50.000 gulden. De winnaar van de wereldbekerwedstrijd in Berlijn dit weekend gaat met 450 gulden naar huis.”

Eenzelfde tegenstelling zie je volgens Krook ook binnen de KNSB terug. Een bond die volledig op vrijwilligers gebouwd is. Mensen die respect verdienen en van wie je ook niet eenzelfde professioneel gedrag mag verwachten als van kernploegleden. Maar aan de bestuurders mag je zo'n eis wel stellen, meent de bondscoach. Want ook al zijn zij net zo goed vrijwilligers, ze hebben een verantwoordelijkheid op zich genomen. En verantwoordelijkheid verplicht.

Als de oude vierjaarlijkse cyclus van Olympische Winterspelen was gehandhaafd, had Krook dit seizoen heel anders ingedeeld. Dan had hij niet in het voorseizoen getraind op Tenerife. Dan had hij meer herstelperiodes ingebouwd. Maar nu 1993 alweer een voor-olympisch jaar is, rest er weinig ruimte voor rust of experimenten. “Met topsport begeef je je eigenlijk altijd op een smalle richel. Qua belasting, qua herstel. Met het risico dat je eraan de ene of aan de andere kant afglijdt. In een voor-olympisch jaar blijft je manoeuvreerruimte beperkt.”

De wereldbekerwedstrijden in Berlijn van dit weekend ziet Krook als een test en een ijkpunt. De races geven hem informatie over de vorm van de schaatsers en over hun fysiologische conditie. Hoe bouwen ze hun race op? Vertrekken ze te traag of juist te snel? Ook registreert hij hun gedrag na afloop. Hoe reageren ze op een nederlaag? Of op een zege? Hoe werkt dat door in hun volgende race?

Het toernooi in Berlijn moet ook dienen als test voor vernieuwing in het schaatsen. Negen maanden geleden lanceerde de Internationale Schaats Unie (ISU) revolutionaire plannen om het schaatsen televisiegenieker te maken. Estafettes, ploegenachtervolgingen en vier rijders per wedstrijd dienden het stereotype rondjes-draaien te verlevendigen. Maar op het congres van de unie deze zomer werden de meeste van die innovaties weggehoond.

De bestuurders voelden alleen maar voor een bescheiden experiment met het zogenoemde "kwartet-rijden', dat in de Duitse hoofdstad zijn beslag zal krijgen. Daarmee lijkt een dreigende verloedering van het schaatsen volgens Krook voorlopig bezworen. Hij zegt dat de vernieuwingsvoorstellen waren ingegeven door landen “die niet weten of er rechts- of linksom geschaatst wordt”. “De schaatssport heeft geen komische circus-nummers nodig.”