Een foute zoon uit een fout gezin

ROTTERDAM, 28 NOV. Op ongeveer vijfentwintig kilometer ten zuidwesten van de stad Groningen, in de uiterste noorden van Drenthe liggen de dorpjes Roden, Leek en Peize. Tegen het eind van de oorlog zaten daar grote groepen geëvacueerde Limburgers. “Onze noordelijke provincies lieten zich”, aldus de door L. de Jong in deel 10A van diens seriewerk geciteerde Limburgse pater D.C.A. Bout, “van hun beste zijde zien. Limburg werd zeer gastvrij onthaald en op allerlei wijzen gesteund.”

Blijkbaar is het pater Bout ontgaan dat de streek waarover hij zo lovend schreef behalve een goede, ook een heel slechte reputatie had. Vrijwel nergens in het land waren al voor de oorlog zoveel mensen lid van de NSB en in de oorlogsjaren speelden Duitsgezinden er een zeer actieve rol. Tot deze grote groep "foute' Nederlanders behoorden ook de Rodense veearts Steven Luitjens, zijn vrouw Martje Westerdijk en hun vijf kinderen, die al op jonge leeftijd met de nationaal-socialistische ideologie vertrouwd waren gemaakt.

Vader Luitjens kreeg door zijn optreden in de streek de naam "de schrik van Roden' te zijn, maar zijn in 1910 geboren zoon Jaap deed weinig voor hem onder. Ook hij was NSB'er als ook lid van de Weer-Afdeling van die partij (WA). Bovendien hielp hij als hulplandwachter de bezetter bij het opsporen en arresteren van joden, onderduikers en verzetsmensen. Door hun toedoen en dat van andere "mensenjagers' vonden zestien inwoners van Roden de dood en kwamen vier Rodenaren in Duitse kampen om. In het laatste oorlogsjaar werden met hun hulp zeker 62 verzetsstrijders gearresteerd die zich in Noord-Drenthe verborgen hielden of daar actief waren. Zesentwintig van hen stierven in Duitse concentratiekampen.

Voor hun activiteiten werden zowel vader als zoon na de oorlog vervolgd en berecht. Luitjens jr. werd opgesloten in kamp-Westerbork. De in Assen gevestigde derde kamer van het Bijzonder Gerechtshof in Leeuwarden, veroordeelde hem op 1 september 1948 tot levenslang. In de telastelegging stond dat hij zich aan het delict "hulpverlening aan de vijand'(artikel 102, Wetboek van Strafrecht) had schuldig gemaakt. Voordat het vonnis werd uitgesproken, had Luitjens zich echter al uit de voeten gemaakt. De uitzonderlijk zware straf die hem werd opgelegd, was dus niet meer dan een bij-verstek-veroordeling.

Los van zijn pro-Duitse houding en activiteiten, is over Luitjens niet veel meer bekend dan dat hij voor de oorlog - in navolging van zijn vader - in Utrecht voor veearts studeerde. Die studie moest hij opgeven omdat hij het beroep door een lichaamsgebrek niet zou kunnen uitoefenen. Vervolgens studeerde hij nog enige jaren rechten en behaalde het kandidaatsexamen in die studierichting. Later werd hij echter plantkundige en botanisch docent aan de University of British Columbia in Vancouver.

Voor het zover was, sleet hij dertien jaren van zijn leven in een Mennonieten-kolonie in Paraguay, waar nogal wat fanatieke nationaal-socialisten, zowel Duitsers als Nederlanders, een schuilplaats vonden. Amerikaanse weekbladen, onder meer Time, berichtten met zekere regelmaat dat de Duitse kamparts, Joseph Mengele zich in Paraguay onder de Mennonieten (of doopsgezinden) zou ophouden.

Hoe Luitjens in Zuid-Amerika terecht kwam is niet helemaal duidelijk. Vaststaat dat hij bij zijn vlucht door zijn zwager, dominee Johannes Sjouke Postma is geholpen en ook dat hij in de Duitse grensplaats Gronau via een kamp voor ontheemde Mennonieten uit de Oekraïne in contact kwam met een Amerikaanse doopsgezinde hulporganisatie. Dit Mennonite Central Committee hielp geloofsgenoten naar Zuid-Amerika emigreren om daar een nieuw leven te beginnen. Hoewel Jaap Luitjens uit een doopsgezinde familie kwam, was hij geen lid van die geloofsgemeenschap. Dat werd hij pas nadat hij zich in Paraguay vestigde. Tegenover geloofsgenoten daar beleed hij zijn zonden en zou hij berouw hebben getoond voor wat hij had misdaan. Omdat hij zich voor God verantwoord had, meende hij dat verder tegenover niemand meer te hoeven doen. Mede-gelovigen steunden hem in die overtuiging.

Van het verstek-vonnis dat op 1 september 1948 door de wereldlijke rechter in Assen over hem was uitgesproken, zou hij nooit officieel op de hoogte zijn gesteld. Dat zegt hij, maar onofficieel heeft hij er, zo zeiden Nederlandse familieleden in 1988 tegenover NRC Handelsblad, altijd van geweten. Onder meer doordat hij en zijn familie zowel in Paraguay als later in Canada intensief contact onderhielden. Hij wist het al toen hij in 1960 bij de Britse ambassade in Asunción in Paraguay emigratie-papieren aanvroeg voor Canada. Bij de invulling daarvan heeft hij verzwegen dat hij oorspronkelijk uit Nederland kwam. Hij zei ook niets (volgens hem vroeg men er niet naar) over zijn oorlogsverleden. Hij deed het voorkomen alsof hij tot de ontheemde Mennonieten uit Oost-Europa behoorde. In 1988 constateerde het Federale Hof van Canada in Vancouver bij de behandeling van het voornemen hem zijn Canadese staatsburgerschap te ontnemen, dat “mr. Luitjens has demonstrated his pendency for brutality, opportunism and lies. He showed the same lies that got him into Canada and got him Canadian citizenship”.

Begin jaren '80 werd ontdekt dat de delinquent zich in Canada ophield. Ook de Oostenrijkse speurder, Simon Wiesenthal bemoeide zich ermee en drong er op aan alles te doen om Luitjens niet aan zijn straf te laten ontkomen. Zo kwam er een eind aan zijn rustig bestaan als docent aan de universiteit van Brits Columbia. Die onderwijsinstelling wilde niet tegen haar werknemer optreden, omdat hij in Canada niets strafbaars zou hebben gedaan.

Allerlei pogingen werden in het werk gesteld om Luitjens alsnog in Nederland zijn straf te laten ondergaan. Ook door mr. P.M. Brilman, de officier van justitie die belast is met de opsporing van oorlogsmisdadigers en andere politieke delinquenten. Hoewel Brilman vaststelde dat het recht tot tenuitvoerlegging van levenslange gevangenisstraffen nooit verjaart, had hij weinig succes. Van uitlevering aan Nederland kon namelijk om formele redenen geen sprake zijn, ook al had de Canadese justitie veel belangstelling voor Luitjens en werd Brilman in Nederland meermalen bezocht door leden van de War Crimes Section van het ministerie van justitie in Ottawa.

Ook de Duitse justitie toonde in die tijd belangstelling voor de zaak-Luitjens, vooral omdat men hem ervan verdacht de Duitse deserteur Walter Körber op de vlucht te hebben doodgeschoten. Nader onderzoek, onder meer bestaande uit opgraving van Körbers lijk, wees echter uit dat de deserteur zich met zijn pistool door het hoofd had geschoten. Deze conclusie was in Luitjens' voordeel omdat hij altijd gezegd had aan Körbers dood onschuldig te zijn.

Dat de delinquent uit het eertijds enerzijds vriendelijke, anderzijds zo agressieve Roden gisteravond toch nog in Nederland is teruggekeerd, komt in de eerste plaats door de administratieve rechter in Vancouver die de beslissing nam hem het land uit te zetten. Bij zijn aankomst eiste zijn advocaat van de staat dat zijn cliënt, hangende het gratieverzoek van zijn broer, buiten de - in Groningen gereserveerde - cel zou kunnen blijven. De kort geding-rechter wees dat gisteravond vrijwel direct af. Het woord is nu aan de koningin, resp. de minister van justitie om over gratie te beslissen als ook aan de rechtbank in Assen of zij de oud-Rodenaar erkent in zijn, in mei van dit jaar gestarte verzet-procedure.