DE PERFIDITEIT VAN DESI BOUTERSE

De 8-decembermoorden. Slagschaduw over Suriname door Harmen Boerboom en Joost Oranje 160 blz., geïll., BZZTôH 1992, f 25,-- ISBN 90 6291 762 3

De Nederlandse ambassadeur J.B. Hoekman had Moederbond-leider Cyrill Daal een maand eerder nog gewaarschuwd. ""Ik zal er wel geen verstand van hebben, maar als het gezag zó in een hoek gedreven wordt als nu, hebben ze maar één uitweg: repressie... ze kunnen gaan schieten...' Maar Daal lachte de waarschuwing weg: ""Wij Surinamers dansen en lachen met elkaar, maar schieten? Zover komt het hier nooit.' Op 8 december 1982 was de vakbondsleider een van de vijftien prominente opposanten van het militaire regime die in fort Zeelandia werden doodgeschoten. Ook ambassadeur Hoekman toonde aanvankelijk slechts ongeloof toen de eerste berichten hem bereikten.

De moordpartij was ook zo "on-Surinaams'. Het verklaart mede waarom de "decembermoorden' nog altijd een trauma zijn in de Surinaamse samenleving. Ze zijn ook politiek brisant. Zolang aftredend legerleider Desi Bouterse het risico loopt zich voor de rechter te moeten verantwoorden zal hij alle middelen tot zelfbehoud benutten. Hoe gevoelig de kwestie voor hem is, bleek vorige week toen hij zijn manschappen in de kazerne toesprak. Bouterse verweet president Venetiaan nabestaanden van de slachtoffers uit Nederland en "CIA-trawanten' toe te staan 8 december in Paramaribo te gedenken. Het incident vormde de inleiding voor een door Bouterse zelf aangekondigd ontslag.

SPORTBROEK

Al direct na de dramatische gebeurtenissen in 1982 kwamen via de pers verhalen over de toedracht naar buiten. De militairen konden niet verborgen houden dat hier willens en wetens mensen waren doodgeschoten. Getuigenissen van Surinamers die de lijken in het mortuarium hadden gezien, maakten duidelijk dat de slachtoffers van dichtbij met vele kogels waren doorzeefd. De lezing van Bouterse dat de vijftien ""op de vlucht zijn neergeschoten' wekte slechts associaties met nazi-Duitsland: ""auf die Flucht erschossen.'

De belangrijkste getuigenis tot nu toe was afkomstig van majoor Roy Horb, destijds tweede man in het leger achter Bouterse. Enkele van zijn lijfwachten spraken anoniem met de pers. Majoor Horb, die werd beticht van door de CIA gesteunde coupplannen, werd een maand na de moorden in opdracht van Bouterse gearresteerd. Korte tijd later werd hij dood in zijn cel aangetroffen. Hij zou zich hebben opgehangen aan het koordje van zijn sportbroek. ""Hij heeft zich op de vlucht verhangen', was destijds de grap in Paramaribo.

Horb had zijn verhaal over de decembermoorden verteld aan de toenmalige minister van landbouw Jan Sariman, die het getuigenis in 1983 in boekvorm (De Decembermoorden in Suriname. Verslag van een ooggetuige) uitgaf. Horb gaf aan dat zowel Bouterse als hijzelf tijdens de executies in fort Zeelandia aanwezig waren. In 1985 kwam de speciale VN-rapporteur Amos Wako in een rapport voor de mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties tot de conclusie dat in het fort "standrechtelijke executies' hadden plaatsgevonden. Hij citeerde vijf anonieme getuigen die verklaarden dat Bouterse en Horb erbij waren. Ook de linkse politici Errol Alibux en Harvey Naarendorp zouden zich er hebben vertoond. In 1987 publiceerde de Cubaanse diplomaat Osvaldo Cardenas het boek De revolutie van de sergeanten, die in het begin van de jaren tachtig ambassadeur was in Paramaribo. Hij legde de verantwoordelijkheid voor de decembermoorden voor een deel bij leiders van de links-nationalistische (en anti-Cubaanse) partij PALU, waar Alibux een vertegenwoordiger van was. De PALU-leiders zouden hem enkele dagen voor 8 december hebben gewezen op ""de noodzaak de belangrijkste politieke tegenstanders uit te schakelen.'

ZWAAR VERNEDERD

Het was natuurlijk niet te verwachten dat de Veronica-journalisten H. Boerboom en J. Oranje in hun boek over de decembermoorden tot geheel andere conclusies zouden komen. Toch hebben ze met hun speurwerk, mede mogelijk gemaakt door ondersteuning van de Stichting Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten, het journalistieke métier alle eer aangedaan. Ze spraken met ""hoge militairen, bewindslieden, inlichtingenofficieren en ambtenaren' in Nederland, Suriname en de VS. Daarnaast werden archieven, brieven en andere documenten ingezien. Op enkele belangrijke punten wordt het beeld, zoals dat tot nu toe bestond, aangevuld of gecorrigeerd.

Een inleidend hoofdstuk geeft, afgezien van enkele onvolkomenheden, een summier maar duidelijk beeld van de laatste maanden van 1982. Door politieke polarisatie ontstond uiteindelijk het klimaat, waarin op 8 december de moordpartij plaatsvond. Keerpunt was ongetwijfeld het bezoek van premier Maurice Bishop van Grenada aan Paramaribo. Stakingsacties van de Moederbond legden het hele land plat. Een zwaar vernederde Bouterse moest zijn grootste revolutionaire vriend zelfs bij kaarslicht ontvangen.

Belangrijkste conclusie van de Veronica-journalisten is dat de decembermoorden volledig zijn ontsproten aan het brein van legerleider Bouterse en de rest van de groep van zestien sergeanten die op 25 februari 1980 de macht in Suriname overnamen. Linkse adviseurs hebben volgens hen bij de voorbereiding geen enkele rol gespeeld. Tot nu toe is vrij algemeen aangenomen dat dit wel zo was. De schrijvers spreken hiermee nadrukkelijk majoor Horb tegen. In zijn versie was zelfs sprake van een "bloedraad', waarin Alibux en Naarendorp zitting zouden hebben gehad.

Niet bekend

AAN FLARDEN

De Veronica-journalisten bevestigen in grote lijnen het relaas van Horb over het doodschieten van de arrestanten. Ze werden eerst een voor een naar een kamer geleid op de eerste verdieping van het fort. Achter een tafel zaten, als een soort rechters Bouterse, Horb zelf en Paul Bhagwandas, die af en toe opstond om de arrestanten naar binnen te brengen. Van een echt executiepeleton was volgens Boerboom en Oranje geen sprake. De slachtoffers werden op de gang opgewacht door rondhangende, stevig rokende en drinkende militairen. Zij doorzeefden hen van dichtbij met een kogelregen uit hun automatische wapens. Sommige van de slachtoffers werden bijna letterlijk aan flarden geschoten.

In het boek wordt de lezing van Horb onderschreven dat hij door Bouterse min of meer voor het blok werd gezet en voor voldongen feiten gesteld. Dat is een opvallende conclusie. Tot nu toe was door velen verondersteld dat Horb dit had verteld om zichzelf "schoon te wassen'. De schrijvers voegen er nog een interessant feit aan toe. Horb werd op 7 december tijdens een vergadering van de "groep van zestien' geconfronteerd met een dodenlijst van "rechtse' opposanten. In een poging het plan van tafel te krijgen suggereerde hij om dan ook "linkse' opposanten op de lijst te zetten. Tot zijn verbijstering werd die suggestie door Bouterse overgenomen, waardoor Horb zich had gecommitteerd. Bouterse was er op uit de hele "groep van zestien' medeplichtig te maken. Zo belandden ook progressieve journalisten als Lesly Rahman en Bram Behr op de lijst.

De schrijvers onthullen verder dat Bouterse een ontwerp-amnestiewet in zijn bureaulade heeft liggen. De belangrijkste opsteller is ex-minister André Haakmat. Dezelfde man die Suriname in november 1982 na een aanslag ontvluchtte.

Boerboom en Oranje beperken zich in hun boek tot de feiten. Het is jammer dat zij er niet aan toe zijn gekomen meer analyserend en psychologiserend te schrijven over personen en gebeurtenissen. Wie is Bouterse dat hij vijftien tegenstanders tegen de muur zet? En wie is die in Wageningen opgeleide linkse intellectueel ir. Iwan Krolis voor wie een of meer mensenlevens kennelijk niet tellen als de "revolutie' ermee is gediend? Maar misschien was dat wat al te ambitieus geweest. De Veronica-journalisten hebben zich in elk geval uitstekend van hun belangrijkste taak gekweten: de feiten onderzoeken.

    • Hans Buddingh'