De dreigende teloorgang van Sinterklaas; Geen cadeau zonder

Stilletjes placht ik in de gaten te houden, rond 1955 zeg maar, hoe de zinken teil, de dito wasketel, de rieten wasmand zich geleidelijk vulden. Veiligheidshalve was er een wit laken overheen gelegd om de cadeaux - met een x - vooralsnog aan het oog te onttrekken.

Op diverse plaatsen (huiskamer, keuken, trap, kinderkamers) heerste nog verstrooide gejaagdheid. Men liep mompelend af en aan: men zocht naar schaar en lijm en verpakkingspapier. Mijn vader zat op zijn gewone plaats aan het hoofd van de tafel bedaard gedichten te schrijven, korte, op zo'n niet bijster houtvrij kladbloc van een kwartje. Mijn moeder (die de langste gedichten maakte, ook de langregeligste, op gedegen, gelinieerd correspondentiepapier) had haar hoofd tevens bij haar onvolprezen borstplaat en speculaas, voor elk van ons; elk jaar, zelfgemaakt, en nooit zonder gedicht.

Als het dan tenslotte zover was en wij in plotse rust gezeten waren rond al die inmiddels plechtig onthulde teilen, wasketels en wasmanden, werd er in verdelende rechtvaardigheid scherp op toegezien dat ieder bijtijds aan de beurt kwam en er geen ontoelaatbare accumulaties konden optreden. Of anderszins. “Nee, dat nog niet”, fluisterde mijn moeder dan tegen mij, de jongste, met als opwindende taak het pakken en aangeven van het volgende cadeau, waarmee ik vaak al klaar zat terwijl het gedicht bij het vorige pakje nog aan de gang was.

Dit over het op gang komen van het feest, en daar nog voor. Maar als het eenmaal goed op gang was! Ik herinner me dat mooie gevoel van gestaag groeiende eigendom. Wat kon je verzadigd en hongerig tegelijk zitten kijken, tersluiks, naar de steeds hoger wordende stapeltjes van jouw eiland.

Want de kinderen kozen elk domicilie, ergens, ter opberging van hun cadeaux. Daar, op een goed begrensd terreintje, bij voorbeeld onder een stoel, werden de uitgepakte nieuwe bezittingen (het pakpapier werd door het ordelijke gezinshoofd direct de prullenmand ingebonjourd) jaloers opgeslagen, bewaakt, en voorlopig beheerd - volgens principes die ik een beetje vergeten ben, maar waarvan er een, waarschijnlijk het voornaamste, inhield dat er geen tussenruimtes behoorden te zijn. De cadeaux moesten aaneengeschaard, als een corpus, het moment afwachten waarop ze naar elders overgebracht konden worden.

Een geval van horror vacui. Zo bleef het toezicht op de kudde geschenken het eenvoudigst, en zo was het bovendien - op de een of andere manier - allemaal veel meer van mij.

En dan die prettige marteling van het gedicht dat eerst voorgelezen moest worden, en goed ook, zonodig zelfs twee keer als het vers ernstig te lijden had gehad onder zijn recitatie; de vriendelijke spot die onlosmakelijk aan die poëzie verbonden was, het vaak - met het uitsluitsel brengende cadeau nog ingepakt - geheimzinnig zinspelende karakter ervan; het gegrinnik (tijdens het raadsel) en het gelach (na de ontknoping); de bewondering, vaak, voor een terloops of juist opzichtig rijm.

“Mag ik jouw gedicht nog even zien?”

Jouw gedicht - dat was het gedicht dat je gekregen had, wel te verstaan.

Ja, ik was dol op Sinterklaas. Als men mij voor de keus had gesteld: van tweeën een, of je verjaardag, of Sinterklaas, dan zou ik zonder aarzelen voor het laatste gekozen hebben; voorzover ik - natuurlijk - denk nog altijd te kunnen spreken namens het kind dat ik geweest ben.

Waar het dan ook precies in zat - het bewaarde geheim (wie er wie getrokken had), de voorbereidingen, de plotseling verboden toegangen en plaatsen, al die voorpret, al die verwachting, het feit dat er voor iedereen cadeautjes waren, dat geven even belangrijk was als ontvangen, de strikt eigen snoepvoorraad, de stapel boeken, de zogenaamd onbekend blijvende gever, ook op de avond zelf -, dat was het vrolijke raadsel van Sinterklaas.