Bedrijfskunde-gesel

Op de arbeidsmarkt voor beginnende academici en HBO'ers laat de relatie tussen aanbieders en afnemers te wensen over. Het Nederlandse bedrijfsleven klaagt over schaarste aan inzetbare afstudeerders. Zo worden bij voorbeeld te weinig technici en andere bètawetenschappers afgeleverd. De behoefte aan mensen die een exact of technisch vak beheersen is bijna even groot als de moeite die het kost hen te vinden tussen de psychologen, juristen en bestuurskundigen.

De onrust op de arbeidsmarkt blijkt des te meer uit het feit dat studenten zelf zich ermee gaan bemoeien. Onlangs hield de studentenvereniging Lysias van de Vrije Universiteit een seminar met als thema: "worden kansen op de arbeidsmarkt niet veeleer bepaald door sociale vaardigheden dan door kennis?' Daar waar bedrijven steen en been klagen over gebrek aan vakkennis, buigen studenten zich over gesprekstechniek en nette voorkomens.

We raken hier aan het eerste van twee collectieve misverstanden onder studenten, die hun arbeidsmarktpositie negatief beïnvloeden. Het houdt in dat het niet uitmaakt wàt je hebt gestudeerd, àls je maar gestudeerd hebt. Studeren op zichzelf heeft een waarde en levert hoogstaande, multi-inzetbare denkers op, die zich in elke sociale situatie kunnen handhaven. De oplossing van vraagstukken met betrekking tot het energieverbruik van een kraakinstallatie of de actuariële aspecten van nieuwe beleggingsvormen speelt zich af ver onder het hiervoor genoemde academisch niveau - althans, die indruk krijg je.

Dit misverstand is storend maar begrijpelijk. Studenten gaan de titel meer benadrukken in een klimaat waarin, gegeven de studieduurverkorting, aan de inhoud van een vak veel minder eer te behalen valt. Onder deze omstandigheden gaan ze moeilijke vakken mijden.

Het tweede collectieve misverstand heeft te maken met een foute interpretatie van de manier waarop bedrijven voorzien in hun behoefte aan management. Ze doen dat door ervaren managers in te kopen of ze leiden hen zelf op, nadat ze kandidaten hebben geselecteerd, meestal uit de hoger opgeleiden die bij hen werken.

Een goede mix van beide categorieën is essentieel voor de continuïteit. De ingekochte manager voorkomt bedrijfsblindheid, de eigen kweek zorgt voor bestendiging van de cultuur.

Dat bedrijven een klein gedeelte van hun hoger opgeleiden vormen tot managers, houdt echter geenszins in dat zij van opleidingsinstituten verwachten dat die hun studenten daarop reeds voorbereiden. Hier speelt de studieduurverkorting een rol. Ondernemers vrezen namelijk dat onderwerpen zoals bedrijfskunde, technische bedrijfskunde en management meer dan vroeger ten koste gaan van de primaire vakkennis van bij voorbeeld de technicus, de actuaris of de onderzoeker.

Studenten hebben veelal onvoldoende werkervaring om het in het studie behandelde te kunnen plaatsen. Bovendien kunnen studenten deze opleidingen pas jaren na het afstuderen in de praktijk brengen, àls ze al in het management terechtkomen. Pas afgestudeerden hebben zich tevergeefs voorbereid op het oplossen van de strategische vraagstukken. Het bijstellen van deze niet-realistische ambities is een pijnlijk proces.

Vaak vertoont deze groep ook een ouwelijk conformisme aan het veronderstelde gedrag van hun grote voorbeeld, hetgeen een onbevangen en creatieve houding niet bevordert.

Dit tweede collectieve misverstand heeft echter ook een functie: veel aankomende studenten willen graag manager worden en opleidingsinstituten worden mede gefinancierd op basis van studentenaantallen.

Ik wil hier nog een opmerking maken ten behoeve van de broodnodige nuance: bedrijfskunde en andere managementgerichte opleidingen zijn heel nuttig voor mensen die door hun bedrijf zijn voorbestemd om manager te worden, om te despecialiseren na een aantal jaren als vakman werkzaam te zijn geweest. Post-HBO of post-doctoraal dus.

Als mijn analyse klopt, is er voor het Nederlandse bedrijfsleven een taak weggelegd. Niet alleen dient de werking van studieduurverkorting en onderwijsfinancieringsmethoden in de politieke arena aan de orde te worden gesteld, het bedrijfsleven zelf zou studenten meer directe voorlichting moeten geven over wensen en mogelijkheden binnen hun gelederen, en stages moeten aanbieden aan studenten in de eerste studiefases, voordat de modieuze en verkeerde keuzen voor afstudeerrichtingen zijn gemaakt. Want reactief alleen het eindprodukt beoordelen, zonder een bijdrage aan het opleidingsproces te leveren, is te gemakkelijk en niet in het eigen belang.

    • Kees Intven Organisatieadviseur