Zeventig zijzijpaaltjes

Ik maak nooit iets mee. Maar een jaar geleden wel. Want toen liep ik aan het eind van de middag, ergens achter in november, in de schemer door een park.

Er lagen bruine en gele bladeren op de grond. Er hing wat mist. En alle geluiden klonken van ver weg. Het was een namiddag om nergens aan te denken, om langzaam een beetje door de bladeren te schoffelen en af en toe eens quasi verstrooid op te kijken. Dan zag je wat eenden en ganzen bij elkaar onder een boom gehurkt zitten. Een verre fiets rolde ergens over een grintpad. Door de kale takken van de hoge bomen kon je in het westen nog net een strook gele lucht onder de blauwzwarte wolken zien. Links maakte een stalen kunstwerk zich eenzaam op voor de nacht. En rechts, aan de rand van een vijvertje, stond op een donkere verhoging een mevrouw in een badpak.

Ze ving nog wat laat licht en keek in haar stille uithoek bevallig over het water uit. Ze leek groot en niet al te mager, en ze moest flink zijn, om daar zo laat in het jaar nog in de buitenlucht te willen zwemmen. Toen ik dichterbij kwam, zag ik dat ze op een stenen sokkel stond en dat ze zelf ook van steen was. Dus die mevrouw in badpak was een standbeeld. Ze leek wel wat op een Griekse godin, op ware grootte in steen uitgehouwen, en ze had een bloemenkrans in haar haar.

Iemand moet haar net als ik hebben zien staan en net als ik medelijden hebben gekregen: dat zij, die natuurlijk gewend was aan een lekker warm Grieks klimaat, zo bloot de koude Hollandse winter door moest. En hij moet toen snel naar huis zijn gelopen en snel weer zijn teruggekeerd om op haar koude stenen lijf een badpak te spuiten, met een spuitbus. Een mooi, zwart, niet al te scherp uitgesneden badpak. Het stond haar goed. Echt warm zou ze het er niet van krijgen, maar toch: een badpak was beter dan niets.

De volgende dag ging ik terug om haar nog eens bij daglicht te bekijken. Maar toen was het badpak al weggehaald. Ik denk door een ijverig mannetje van de beeldenpolitie. Want een badpak spuiten op een beeld dat het koud heeft is vandalisme. En een blote stenen vrouw met blote stenen borsten in de vrieskou is kunst.

En nu nog even een gedicht. Het is van de dichter Raoul Chapkis. Hij schreef het in 1965. Het gaat ook over een park en ook over een kunstwerk. Maar als je dichterbij komt, zie je dat het kunstwerk leeft, misschien:

LEVEN EN NIET LATEN LEVEN

Er staat een boom in het Vondelpark.

Zijn lengte is meer dan drie meter.

Dus staat hij er voor de tentoonstelling.

Hij is geheel van hout gemaakt

een grote paal in het midden met zeventig paaltjes opzij

elk van die zeventig zijpaaltjes heeft weer zeventig zijzijpaaltjes

en die weer en die weer enzovoort tot het hele kleine kleintjes zijn.

Op de toppen daarvan heeft God en niemand anders

groene knopjes bevestigd waarin dingen verstopt zitten

die voorlopig een verrassing moeten blijven.

Het schijnt dat de boom permanent in het park blijft staan.

Ik vind het een mooie boom.

    • Guus Middag